Daan Cartens – Mijn vriend herinnering

Aan de polsslag van de tijd

door Hans Puper




De schrijver, essayist en dichter Daan Cartens is bij het grote publiek niet zo bekend. Mijn vriend herinnering is zijn vijfde bundel; de eerste verscheen in 1988. Hij bestaat uit vier afdelingen en een envoi.
Dood, verleden en het nu zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Aangrijpend is het eerste deel, met dezelfde titel als de bundel. Het is een reeks van achttien gedichten, aangeduid met Romeinse cijfers; hij gaat over de dood van de man van de dichter, aan wie hij de bundel heeft opgedragen. Ze zijn persoonlijk en tegelijkertijd van alle tijden: zo verwijst hij in het derde gedicht naar een van de meest aangrijpende rouwgedichten die ik ken, het Egidiuslied uit het begin van de vijftiende eeuw. ‘Jij die de zomer koos / om mij het leven te laten’ schrijft Cartens in zijn derde gedicht. Het lyrisch ik in het Egidiuslied: ‘Egidius, waer bestu bleven? / Mi lanct na di, gheselle mijn. / Du coors die doot, du liets mi tleven.’
In ‘XIV. Dansante’ val je middenin een traditionele begrafenis, want het gedicht begint met ‘En’. Wat volgt is indrukwekkend, zeker in combinatie met de titel. Ook dit gedicht kan zich zowel afspelen in het verleden als het nu.

XIV. Dansante

En achter de baar de vrouwen,
zwart gekleed, wenkend in gebaren,
in zwart gekomen, in zwart gegaan,
onwankelbare vrouwen, de vrouwen
achter je baar. Verschiet niet
van kleur, er is geen kleur, zwart is
de dag en zwart de vrouwen.
Blind gaan we, de blinde dodentred,
op naar de witte roos. De roos op je baar.
in zwart gekomen, in zwart gelopen,
in zonsverduistering kalm vergaan,
zwart de dag en zwart het hart, slacht-
hart, o liefste in je nachtasiel, de vrouwen
waken, waken, in trage vrouwenstoet,
gebaar van een sterk geslacht, in nissen
hun schaduwstemmen, stil maar,
stil maar, tot hier gekomen, in zwart
gekomen, in zwart weerom gegaan,
schaduw me, schaduw dat hart,
laat me de roos, de witte roos.

De herhaling van ‘vrouwen’ en ‘zwart’ geven het gedicht een ritueel en onontkoombaar karakter. Samen met de afwisseling tussen rust en relatieve onrust, zowel inhoudelijk als ritmisch, wordt de ‘dansante’ verbeeld. Rust in regels als ‘En achter de baar de vrouwen’, ‘in zwart gekomen, in zwart gegaan’. Een relatieve onrust in ‘Verschíet níet / van kleur, er ís geen kléur, zwárt’ is / de dag en zwárt de vrouwen. En, meteen daarna, een sterke nadruk in: ‘Blínd gaan we, de blínde dódentred, / óp naar de wítte roos.’ De tegenstelling zwart en wit, maar beide kleuren van de dood, werkt hier goed.

Cartens werkt met meerduidige betekenissen. Hij gebruikt daarvoor soms een ellips, soms een uitdrukking en hij doet dat onopvallend, het doet niet geforceerd aan. De bundeltitel Mijn vriend herinnering kun je bijvoorbeeld opvatten als: ‘ik ben bevriend met de herinnering’. De tweede betekenis vult de eerste aan: ‘[want] mijn vriend is herinnering’. Nog eentje: in ‘IV’ bevindt de dichter zich op het kerkhof. De laatste strofe luidt: ‘Bij slagen leven we, verwezen / paden kaal en voort en voort / die loop langs steen en been’. Een loop langs graven met beenderen, dat is een onontwijkbare confrontatie met de dood. En door de uitdrukking ‘steen en been klagen’ hoor je ook nog eens de klank van een diep verdriet. Voeg daarbij de herhaling ‘en voort en voort’ en je ziet dat je de laatste strofe ruimer moet opvatten dan een wandeling langs graven. Voort moet je in het leven, met al je verdriet, en aan het eind is daar de dood.

Cartens bouwt in de bundel een interne symboliek op door woorden in afzonderlijke gedichten te herhalen – ook nu doet hij dat onopvallend. Zo verwijzen steen en gruis naar dood en verval, paden leiden naar de dood. In de tweede afdeling, ‘Radslag tijd’, met titelloze gedichten, lezen we op pagina 34:

Een rivierstad geeft einders ten
geschenke: nergens licht de lucht
de dagen op als tussen riet
en rook van een vergane loods.
De schoorsteen pluimt pompeus.
De wieken van de windpalen, zo mee-
dogenloos groot, heersen over blik
en gruis. Het kaduke muurtje
brokkelt verder af. Het is het pad,
het pad dat ons naar nergens voert,
dat ons past na jaren gaan.

(‘Windpalen’, mooi. En ze heersen ook nog eens over het oude, het bijna voorbije.)

Op p. 37 lezen we:

De muren van Jericho vallen, nee, niet
met bijbels geweld, maar altijd vallen muren,
vergruizen, laten weduwen huilen en mannen
drinken in pluimen van licht. Fakkels, de stad
rondom. De stad? Voor de burcht op de heuvel
was er land, duister en geheim land. Greppels
met stroken doek, een hemd, een bebloede rok.
Krekels, sprinkhanen bleven in litanie, alleen
de uil wees ons de weg naar puin, brokstukken,
platgetreden paden, behalve voor die ene, die
de muren zo koesterde, zag vallen voor de val.

De derde afdeling heeft de weemoedige titel ‘Ach Berlijn’. Ditmaal heeft ieder gedicht een titel. Berlijn is een stad waarin je de polsslag van de tijd voelt: verwijzingen naar de recente geschiedenis kom je daar overal tegen. Ieder gedicht verwijst naar karakteristieke plaatsen, zoals de Berliner Zoo, de dierentuin die werd verwoest tijdens een bombardement in 1943. Het Holocaust Monument. De Wittenbergplatz, het voormalig ‘vooronder van de stad’. Cafés voor ‘de mannen, verenigd in hun ver- / borgen kwaal. Voetjevrijen, hand op hand, / een ring te veel.’ (p. 48). En natuurlijk de Berlijnse Muur. Iedereen die ooit in de DDR is geweest herkent de beschrijving: ‘In de grijze heilstaat zijn / de kleuren op de bon. Aardappelen / gedrenkt in jus, penen van het land, / de obers grauw van chagrijn, ze snauwen / van zaal tot zolder.’ (p. 46). De obers, die je liever zagen gaan dan komen, omdat het voor hun karige staatsloon niets uitmaakte of een restaurant vol was of leeg. Een vol restaurant gaf alleen maar extra werk. En: ‘In de grijze heilstaat zijn / de kleuren op de bon.’ Prachtig. Het was daar altijd november, ook ’s zomers.

Ook in de vier gedichten tellende afdeling ‘Tijdgenoten’ zijn verleden en heden nauw verbonden, zoals in ‘Moeder vertelt’ op p. 54 en 55. Moeder zelf behoort al toe aan het verleden, ze leeft erin: ‘We gaan, schuifelend met ingehouden pas. // Kijk, de huizen zijn leeg, iedereen is dood, / er leeft niemand meer. We slenteren voort. // Het is toch raar, die lege kamers en balkons, / het lijkt de oorlog wel. We lopen door.’ De bundel eindigt met een ‘Envoi’: ‘Sub finem vitae’, dat is opgedragen aan de weduwe van Hans van de Waarsenburg.

Mijn vriend herinnering bevat een flink aantal gedichten die rijker worden naarmate je ze vaker leest.

____

Daan Cartens (2021). Mijn vriend herinnering. Kievenaar, 64 blz. € 18,00. ISBN 9789083046747

Geplaatst in Recensies.