Marie Brummelhuis – Nee, niet weer over vlinders

Vlinders vangen

door Hettie Marzak




De titel van de debuutbundel Nee, niet weer over vlinders is een vermaning van de dichter aan het lyrische ik – in wie redelijkerwijs de dichter zelf herkend mag worden – om zich niet opnieuw te verliezen in herinneringen, want ‘herinneringen zijn een nest poezen / in een vuilniszak verzwaard met stenen’. De laatste versregel van dit titelloze gedicht is dan ook: ‘gelukkig is de sloot diep genoeg en dichtbij’. Die herinneringen waar ze niet steeds bij stil wil blijven staan, betreffen haar overleden partner, de vader van haar kinderen, die ‘zeven jaar, drie maanden / en dertig dagen om precies te zijn’ overleden is. Maar door de hele bundel heen fladderen de herinneringen als vlinders en elk van de vijf afdelingen draagt de naam van een vlinder of een mot. Als vlinders zijn ook de gedichten: licht, kleurig en dansend van onderwerp naar onderwerp. Je zou Meester Prikkebeen willen zijn om ze te vangen in een net. Hier valt geen ernstig rouwbeklag te lezen; zelfspot en humor zijn de hulpmiddelen van de dichter om haar verdriet te verwerken.

De afdeling geven in chronologische volgorde impressies uit het leven van de dichter weer. De eerste afdeling, ‘Vals bruin blauwtje’, bevat herinneringen aan haar jeugd, haar schooltijd en haar puberteit. Wat als eerste opvalt is de originaliteit van de invalshoek van waaruit de dichter kijkt naar alledaagse dingen, alsof ze er een licht op laat schijnen dat kleuren en vormen zichtbaar maakt die eerst verborgen bleven. Vaak levert dat grappige en ironische versregels op: ‘dat overgeslagen worden door het fouilleerteam / niet wil zeggen dat je onaantrekkelijk bent, echt niet’ uit het gedicht ‘Vertrekhal’. En ook het gedicht ‘Rorschach’ laat zien hoe anders de dichter als kind al keek: ‘Klasgenoten zagen schapen en een vlinder’, in de inktvlekken, maar ‘ik had wolven en een vleermuis gezien’. Uit angst voor straf verschijnt er dan ook een natte Rorschachvlek in de broek van het kind. Het gedicht ‘Vondeling’ vertelt over een fantasie die veel kinderen hebben: als prinses te vondeling gelegd zijn.

De tweede afdeling is getiteld ‘Rouwmantel’ en gaat over de dood van de geliefde en hoe daarmee om te gaan:

HEB JE EEN BEGRAFENISONDERNEMER
WELEENS ZIEN HUILEN?

Al toen ik een peuter was
wist ik wat ik later wilde worden,
zeker geen juf of moeder, dat was saai en stom,
ook geen piloot of brandweervrouw,
nee, iets zo geheimzinnigs
dat ik zelfs het woord niet kende.

In de zandbak oefende ik kuilen graven,
want zwemmen leer je niet uit boekjes.
Toen ging mijn hamster Wiegel dood
ik bestelde haar (mijn moeder dacht
dat het een vrouwtje was) ter aarde
achter het schuurtje in de tuin,
slaap kindje slaap, neuriede ik.
Dat ik erg moest huilen
maakte alles nog mooier en echter.

Daarna kwam een moeilijker oefenpracticum:
het afscheid van mijn oma.
Ik mocht mee naar de mis en het kerkhof,
de maillot die ik aanhad kriebelde
we strooiden roze rozenblaadjes
ik kon verder gooien dan mijn broertje,
we waren zakdoeken vergeten dus snoot ik
een snottebel in mijn nieuwe jurk van ribfluweel.

Op het moment dat jij doodging
en ik het droog hield van ellende,
was mijn opleiding voltooid.


De derde afdeling is ‘Vergeten kijkgaatje’ en hoe vreemd dat ook klinkt, er is echt een vlindersoort die zo heet. De gedichten in deze afdeling spelen zich af in het hier en nu en vertellen voornamelijk hoe de ik-figuur zich probeert te handhaven als alleenstaande moeder en afleiding zoekt van haar verdriet:

STOCKHOLMSYNDROOM

Mam, zullen we een potje schaken, zegt hij voor de tigste keer.
De zon in zijn blik als ik niet meteen nee schud,
durf ik niet langer te doven.

Dus zitten we zwijgend boven het blokkenbord gebogen
en schuiven onze stukken behoedzaam over het gladde hout.
Schaatsers die bang zijn uit te glijden zijn we, mijn zoon en ik,
zo anders dan hoe vroeger mijn vader zijn zwarte paarden
met harde klappen over het slagveld liet dansen,
de brede vingers klaar om ook mijn laatste pion te pakken.
Is het sindsdien dat ik geen meisje meer ben
dat van spelletjes houdt?

De klok tikt te hard, in de stille kamer hoor ik mijn adem,
ik wil dat dit ploeteren door kruiend sneeuw
snel voorbij is, steeds laat ik mij slaan en speel spijt,
mijn zoon rekt de partij, blijft blijmoedig kauwen
op kauwgom waar allang geen smaak meer aan zit.

Schiet eens op zeg ik scherper dan ik wil,
vlug offert hij zijn toren, nu duurt ons spel tenminste nog even.
Simultaan gijzelen wij elkaar: wie is hier kat, wie muis?

Korzelig kijken onze dode vaders toe.


In de vierde afdeling, ‘Wit weeskind’ (volgens Wikipedia een vlinder die in Nederland zeer zeldzaam is) staan zes gedichten over de dood van de moeder van het lyrisch ik. Het verschil met die over de dood van de geliefde is dat ze weemoediger zijn en minder bitter, omdat moeder al oud was en omdat het in de lijn der dingen ligt dat ouders eerder sterven dan hun kinderen. Een heel mooi gedicht over dementie in coronatijd en prematuur verlies is het volgende:

Mijn moeder is een mottige berin,
achter haar rollator loopt ze heen en weer
met lood in onze schoenen komen
wij kinderen haar bezoeken,
zwemmen in haar buik
is ons allang ontnomen.

Verboden te voederen
maant het bord naast de kooi,
zou aaien ook niet mogen?

Alle bevelen volgen wij gehoorzaam op,
wij houden gepaste afstand
al wil ik haar knuffelen, als niemand kijkt
knuffel ik haar stiekem dood of nee,
ik smokkel haar naar buiten, ze is
ongevaarlijk, nooit meer hoeft ze vissen
te accepteren die op de afslag over waren
of vlaflip in zo’n plastic bakje van Duralex
kunstjes doen is voorbij, geen psychologen meer
aan haar bed die geniepig glimlachend
vragen welke dag het vandaag is
alsof ze zelf dement zijn.

Mijn moeder was een merel
straks zal ik haar naar de tuin brengen
waar ze vandaan komt, er bloeien blauwe hortensia’s
ze is een hinde en springt over sloten
ze wordt weer het kind dat rode bessen plukt,
geen anti-doorligmatras meer nodig
geboortegrond is zoveel zachter.


In de laatste afdeling, ‘Prinsesbladroller’, durft de ik-persoon zich beetje bij beetje weer te gaan richten op de toekomst. Er is sprake van een droomprins en een datingsite, een hoopvol versterken van zelfvertrouwen en een verschil kunnen voelen tussen bang en blij.

Marie Brummelhuis heeft een verrassende debuutbundel geschreven. Haar gedichten zijn heel direct en persoonlijk, alsof ze bij het schrijven ervan nooit aan publicatie of aan lezers heeft gedacht. Hoewel de gedichten vaak over verdrietige zaken gaan, worden ze nooit zwaar of somber en aan zelfmedelijden doet Brummelhuis niet. Haar originele invallen en verwoordingen daarvan zijn verfrissend en zetten alledaagse dingen in een ander licht, alsof je een caleidoscoop een kwartslag draait. Ze schrijft heel toegankelijk in eenvoudige taal, maar er valt genoeg te ontdekken in haar gedichten. Ze maken heel benieuwd naar een tweede bundel.

____

Marie Brummelhuis (2021). Nee, niet weer over vlinders. Uitgeverij Anderszins, 82 blz. €17,95. ISBN 9789492994202

Geplaatst in Recensies.