Maarten Doorman – Wie niet

Lichte beademing van momenten

door Johan Reijmerink




Wie weet zich niet voor raadsels gesteld? Wie raakt niet verstrikt in eigen leven? Wie droomt niet wat voor onmogelijk wordt gehouden? Maar bovenal, wie ontmoet niet de dood ‘wiens zuiver pijpen’ dan wel ‘lief’, ‘goed’ of ‘vals’ is? In zijn nieuwe bundel Wie niet (2021) gaat Maarten Doorman op zoek naar wat voorbij het eindige ligt.

In zijn essaybundel De navel van Daphne (2016) illustreert hij de autonomie van de kunst met het apocriefe verhaal van de kwetsbare nimf Daphne die weet te ontsnappen aan haar verkrachter maar die nog wel een dolk in haar navel steekt. Als ze de dolk uit haar buik trekt, valt ze in katzwijn en wordt ze op het nippertje gered door een eenhoorn. Haar autonomie is daarmee veiliggesteld door de verbeelding: dat is aan het bekende de waarde van het onbekende toekennen en aan het eindige de schijn van het oneindige. Dichterschap vereist autonomie.

De bundel Wie niet bestaat uit drie afdelingen met vrije verzen van ongelijke omvang, al dan niet voorzien van een titel, met weinig leestekens. Veelvuldig gebruik van enjambementen bevordert de doorlopenede gedachtegang en de ambivalentie. Opkomende herinneringen werpen een nieuw licht op het bestaande, zoals in het slotgedicht, waarin het declameren van moeder en vriend ‘de lichte beademing van momenten / [bovenhaalt] die ver achter mij nu toen verdampten.’ Doorman plaatst onder enkele gedichten QR-codes. De vraag is of je beelden van varkens in een vrachtauto moet laten zien en gedichten moet voordragen. Laat de lezer maar zijn verbeelding gebruiken!

In de eerste afdeling ‘Stappen’ treedt de ik uit de ‘Catacomben’, doortrokken van water en kou: ‘uit de droom / geholpen dat (…) [hij] daar / beneden /iets te zoeken had. / Verwonder je liever hier / boven.’

Met die opdracht gaat hij de bovenwereld in. Droom, herinnering en alledaagse werkelijkheid vermengen zich en roepen vervreemding op. In ‘Bij Toetanchamon’ gidsen de bavianen op stok de ik naar de onderaardse sarcofaag van Toetanchamon die als een dageraad blinkt in het vergulde licht. Daar was ‘de zon nog maar nauwelijks / onder’ gegaan, terwijl buiten in de brandende zon waar de schaduw nergens te vinden is, de chauffeurs ‘nasaal’ wachten ‘hun blik even leeg in de ramen’. Het licht vervult niet zozeer de geest van de chauffeurs als wel die van de grafbezoeker. ‘Trappen’ is eveneens een fraai voorbeeld van vervreemding die je kunt ondervinden als je je ouderlijk huis binnenstapt, en verwacht je vader eraan te treffen, terwijl hij er niet meer is: ‘je kleren, maar toch / geen spoor meer / van waar je was.’ Alles herinnert aan hoe het er ooit uitzag. Even lijkt de ander ‘slapend half maar nog niet dood te lezen’. Zijn verleden is er nog: de piano, de ets, de geuren. Misschien dat de eksters op het balkon, ‘iets van je bewaren zoals ik / dat een keer toen je naar beneden liep / in bed verzon.’ Het gedicht ‘Blauwe rondvaartboot’ bevat de transcendentie die Nijhoff in zijn gedicht ‘De moeder, de vrouw’ heeft neergelegd. Lopend in de werkelijkheid van de Herengracht te Amsterdam verschijnt daar opeens ‘een onvolkomen / beeld: daar draait uit de ongedempte Leidse / een blauwe rondvaartboot, leeg.’ Allerlei geluiden rondom de gracht zijn hoorbaar:

en zag

ik daar niet
een blauwe rondvaartboot water maken,
aan het stuur iemand staan: zij zou heel nabij
zijn nu als het beeld
niet al vervaagde

en het mij daagde
daarboven aan de slag
te gaan.

Een moment van intense aanwezigheid doemt op, ebt weer weg en roept op tot realiteitszin.

De vader uit het titelgedicht ‘Trappen’ blijft nog even rondspoken in ‘Tamelijk tijdloze lamentatie’: ‘Lieve dood, wat ben ik bang voor je geweest, voor dat je / al zo grondig begonnen was, mijn / vader mee had genomen, mijn vriend.’ Een ontroerend gedicht waarin de ontmoeting tussen vader en zoon in terugblik is opgetekend: ‘je vroeg gewoon wat begrip en ik / begreep van wat het leven mist / nu net zo weinig. Ik had met je / te doen omdat jij het ook niet wist.’

Wat het leven mist, blijft een levenslange vraag. Vier maanden later bekent de ik aan de ‘dood’ op weg te zijn naar de begrafenis van een vriend. Een andere vriend vraagt onderweg daarnaartoe aan hem:

wie niet
en we lachten en ik hoopte je
vandaag niet te zien. Lieve dood
wat ben ik
bang voor je geweest, voor dat je
me alles ontnemen zou, ooit was je
zo vreemd en zo groot.

Er is een vertrouwdheid gegroeid met de ‘dood’. Het eenvoudig gegeven van een logeerpartij waar in de dromen van de ik versregels van Marsman opdoemen in de ‘Goederentreinen’ die als ‘brede rivieren / traag door oneindig / laagland gaan’,

maar door en door
het land nauwelijks zichtbaar, de hand
nooit van de dodemansknop, zwaar
langs de rivieren waarvan iedereen wist
dat ze in het donker veel trager stroomden.

Doorman weet subtiel droomwerkelijkheden op te roepen, zoals in het gedicht ‘Voor de taxi komt’, wanneer in de vroege ochtend na een feest de wij ‘elkaar liefdevol aangepakt’ hebben. De slapende op de bank en de doorzichtigheid ‘als de mouw van een jurk’ onder een zacht waaien tonen meer van het voorbije feest dan zichtbaar is, en mag zijn.

De tweede afdeling ‘Zij waren ver weg en wij stonden voor’ staan een aantal gedichten waaruit politiek-maatschappelijke betrokkenheid blijkt vanwege zichtbare ongelijkheid in de wereld. In het gedicht ‘Zwarte zwanen’, bekend van het kinderliedje, werpen de aanlokkelijke witte rotsen van Dover hun schaduwen vooruit voor gelukzoekende emigranten die persé naar Engeland willen. De ‘zwanen’ die voor de kust van Dover zijn gezien:

sloegen de tenten op voor Calais, veel verder
hoefden ze niet meer
want niets
lag nog achter Engeland
dat het makkelijk won

van waar zij vandaan kwamen
en nadien ook van waar ze nu waren
als iemand die sleutel eens maken kon

In het gedicht ‘Aeschylus’ ligt de verscheurdheid van één van de leden van het Koerdische koor samengebald in een gesprek na afloop van een optreden: ‘mijn grootvader is in Turkije // door de rijksoverheid vermoord.’ Juist zonder openlijke stellingname krijgt deze uitspraak een optimaal schrijnend effect. De wijk ‘Belville’ vol met allochtone bewoners kijkt niet op van een omvallende container die wel een ontploffende bom lijkt te zijn, waar ‘oorspronkelijke bewoners / [in dezelfde wijk] (…) sneller [op] aanslaan. ‘Tunnels op CNN’ vormt een reportage waarin de tunnels vanuit Palestina naar Egypte en Israël in beeld komen: enerzijds ‘het begin van een droom’ anderzijds ‘blazen de tunnels naar Israël de dood / die honderdvoudig terugkeert en alles verbrandt.’ Komisch, maar niet minder ernstig is het gedicht ‘Zicht opzij’ waarin de dieronvriendelijke varkenstransporten en het achteloze optreden van de vervoerder in het vizier komen.

In de derde afdeling ‘Die deur die niet dicht’ – en die niet gesloten mag worden – blijven we op onszelf betrokken. ‘Eerder de tijd’ handelt over jongeren die ‘eerder de glanzende tijd / van elkaars pols / alsof het ze langer doet leven’ stelen. Hun behoefte is om er-(ge-)kend te worden:

Ze willen zichzelf niet kwijt
of oplichten
ze verliezen het
van de berichten
die telkens doven op hun mobiel
dat Zwitsers zakmes van de tijd.

Die iPhone is het onmisbare wapen in hun dagelijkse strijd om het hoofd boven water te houden. ‘Voorjaar in de stad’ schept het beeld van een in zichzelf verwarde samenleving waarin ‘iedereen voor zichzelf voor anderen, anderen / zijn nergens zichzelf / voor ons maar zij blijven maar zij / blijven waar iedereen / niet is ‘. Iedereen is ervoor zichzelf, houdt de adem voor de ander in, maar volgt de ander en niet zichzelf. Het zoeken naar menselijk metaalgebruik in ‘Europa’ na de nodige veldslagen roept na veel inspanning de vraag op waartoe dit onderzoek dient. We raken in deze afdeling aan de zinvolheid van voorwerpen, handelingen en gebeurtenissen, zoals ‘de half / aangeslagen merel [die] zwicht voor het blad / zonder kleur boven het al bedauwde gras’. Alles berust op schijnbare tegenstelingen wat voor een beweeglijk evenwicht zorgt: ‘hoe minder je geeft / hoe meer ik krijg / hoe meer je zweeft / hoe minder ik stijg’. Aan het eind van dit schouwspel vliegen we met een ‘Ballonvaart boven de Nijl’, waar de ik weer de ‘lieve dood’ ervaart. Even leek het alsof Mozes op de berg Horeb God zou gaan ontmoeten, maar drie weken later stortte dezelfde kapitein met zijn ballon omlaag. Het adembenemende moment is op de iPhone te zien.

Doormans poëzie heeft iets alledaags, iets terloops en onnadrukkelijks, en toch reikt het voorbij het eindige. In deze bundel gaat de afdaling in de catacomben, het weer bovengronds komen en de kritische vaststelling van onrecht over in het verlangen de werkelijkheid van onder tot boven te aanschouwen met alle risico van dien. Leven is ‘de lichte beademing van momenten’ te vinden om de moed niet te verliezen. Wie wil dat niet ervaren? Doorman heeft al met al een persoonlijke en op de maatschappij betrokken bundel geschreven met momenten van intense aanwezigheid waarin het onbekende in het bekende is te ervaren.
____

Maarten Doorman (2021). Wie niet. Prometheus, 48 blz. € 20,00. ISBN 9789044649468

Geplaatst in Recensies.