Hans Franse – Umbrisch getijdenboek

Het gedicht als vesting

door Ivan Sacharov




Soms wil een dichtbundel niet alleen een dichtbundel zijn. Bijvoorbeeld wanneer de bundel wordt gepresenteerd als een getijdenboek: ‘een handgeschreven vaak fraai verlucht gebeden- en meditatieboek dat wordt gebruikt door monniken en nonnen tijdens de vaste gebeden van de dag’. Aldus Hans Franse, dichter van de tweetalige bundel Umbrisch getijdenboek (uitgevoerd in het Nederlands en in het Italiaans).
Niettemin: een dichtbundel! Voorzien van een kort voorwoord waarin de ‘heidense opstelling’ van de dichter wordt benadrukt. Een beetje merkwaardig. En het voorwoord gaat verder: ‘al stelt de dichter zich als heiden op, toch zijn de woorden vervuld van mystieke verlangens’. Ja, dat moet dan haast wel. Want waarom anders dat gedoe over een getijdenboek? En wat bezielt een ongelovige dat hij een getijden (gebeden) boek schrijft? Kán een ongelovige eigenlijk wel een ‘geloofwaardige’ tekst schrijven (in de meest letterlijke betekenis)? Met dit in het achterhoofd begon ik te lezen, en kwam de volgende tekst tegen:

OCHTENDGEBED

Rond om ons het woud
rondom de bomen
ze verzamelen het vroege oosterlicht.
We volgen het zachte licht
we volgen het andantelicht
dit zingend licht, dit filterlicht
zoeken adagio tussen de bomen
in een groot pianissimo:
de morgennoten verzamelen
de parelende ochtend.

De eerste regels zijn subtiel: om ons het woud, en rondom de bomen óók het woud… In dat opzicht zijn wij dus net als de bomen die het vroege ochtendlicht verzamelen! Stilzwijgend opgenomen bij de bomen volgen we het vroege licht, dat mogelijk gefilterd door de bladeren met het tempo van een andante zingt. Hans Franse is duidelijk iemand met een klassieke achtergrond. De termen ‘andante’ en ‘adagio’ zijn tempo aanduidingen, die worden gebruikt in muziekstukken, zoals symfonieën. De termen duiden ook wel stemmingen aan. Adagio geldt daarbij als nog langzamer, ‘gedragener’ dan andante. Het gaat in dit gedicht dus van langzaam (andante) naar nog langzamer (adagio), tussen de bomen in een groot pianissimo (óók een muziekterm; het tegenovergestelde van ‘fortissimo’, dat ‘luid’ betekent). Het gedicht spoort ons a.h.w. aan om rust en stilte te zoeken. In de sfeer van een langzaam deel uit een symfonie ontwaren we de parelende (in dauw gedrenkte?) ochtend. Mooi. Mystieke verlangens bloeien inderdaad het best in een sfeer van rust en contemplatie!
Toch voel ik mij – ondanks de fraaie formuleringen – genoodzaakt om een kritische noot te laten klinken. Voor rust en contemplatie lijkt de ochtend niet het meest geijkte dagdeel (voor veel mensen is dat juist de tijd dat ze actief worden). Maar goed, het kan (en als we de tijd hebben: waarom niet?). Bezwaarlijker vind ik de titel. Een gebed, een ‘bede’ is toch een soort verzoek dat tot iets of iemand gericht is? Alleen: er wordt hier niets verzocht. En erger nog: het gedicht is eigenlijk geen gedicht. Het komt niet verder dan een mooie beschrijving. Het mist iets: het voelt als een pakje waarin niets verpakt zit. ‘Te licht’ om helemaal geloofwaardig als poëzie over te komen, zouden we met een knipoog kunnen zeggen. Een ander voorbeeld:

HEIDENSE SEXT
ZOMER IN DE PIANO GRANDE

Geheimzinnige hoge sibillen
in de wolken van een stralende lente;
o, ooit als jullie
die eeuwige juni te hebben
en jong te zijn als juni in deze hoogvlakte;
geef in deze lente mij de levenskracht
om van de hellingen te springen.
Duw mij, mysterieuze blauwe sibillen
om met uitgebreide armen en open mond
overdonderend mijzelf te begraven
in de bloemen,
te bestuiven met de kleuren,
rood te worden van blijdschap
en blauw na het wentelen
of geel, helgeel,
geel als de geurige brem
de goedkope hoer van de hellingen.
Besproei me met die geuren:
ik zal heel gelukkig zijn
in het kasteel van het licht

Dit lijkt er meer op als bede. Een verzoek aan de sibillen! Een soort heidense priesteressen (helderzienden). En daarmee inderdaad een ‘heidens gebed’. Maar is het geloofwaardig? Ja, natuurlijk wel in het verlangen ‘de eeuwige juni te hebben en jong te zijn als juni in deze hoogvlakte’. De schrijver is niet zo heel jong meer en dat blijkt uit de beschrijving die hij geeft. Alleen, of de ‘ik’ echt heel gelukkig zal zijn nadat hij zich te buiten is gegaan aan ‘de goedkope hoer van de hellingen’, is discutabel. ‘Het kasteel van het licht’, lijkt mooi gezegd, maar het woordje ‘kasteel’ heeft naast zijn romantische associaties ook de betekenis van iets dat beschermt. Kortom: dit gedicht herbergt angst. De schrijver is bang. Hij vreest het voorbijgaan van het licht. Hij vreest de ouderdom (wie niet trouwens). En daarom gebruikt hij (onbewust misschien) een term die aan een vesting doet denken. Deze tekst geeft een wensdroom, een wegkijken van de realiteit weer. En ik weet niet of ik me daar als lezer helemaal gelukkig bij voel. Tenzij met ‘kasteel van het licht’ het gedicht zelf bedoeld wordt. Wat me bij de realiteit van het laatste gedicht brengt dat ik wil citeren:

PROCESSIE

De cirkel van gesloten muren
weerstond de tand des tijds,
maar het gebit van de huizenrij
vertoont verval en gaten,
hier en daar opgevuld
met amalgaam van andere tijden.
Er waren toen nog heilige heiligen
die zegenend relikwieën
onder andere tegen kiespijn aandroegen
om het eindeloze verval te weerstaan.
Eenmaal per jaar worden
de heiligen gevierd
en loopt de bevolking
gezellig keuvelend en biddend
achter de muziek aan
voor de grote feestelijke middagmaaltijd
terwijl de oude pastoor met veel moeite
het Allerheiligste vasthoudt
en net doet of hij het
echt belangrijk vindt.

Wacht eens, zal iemand opmerken, dit is toch ook geen gebed? En hoe zit het met de geloofwaardigheid? Nee, geen gebed. Maar wel een goed gedicht. En een gedicht juist over geloofwaardigheid! Over wat nodig is voor geloofwaardigheid; en (voor een gedicht) om te overleven. Om de tand des tijds te kunnen weerstaan, vertellen ons de eerste regels, moet een cirkel gesloten zijn. Er mag geen ingang zijn die verval toelaat. Verval dat maar al te goed elk kiertje weet te vinden. De oude pastoor verderop in het gedicht weet dat. ‘Met veel moeite houdt hij het Allerheiligste vast.’ ‘Moeite’ vooral in de metaforische betekenis: hij moet de schijn dat hij het Allerheiligste vasthoudt ophouden. Dat vereist een perfecte cirkel van gesloten muren, die geen inkijk toelaat. Een inkijk die de schijn teniet kan doen! Daarom is net doen of het belangrijk is zo belangrijk: alleen een perfecte leugenaar kan de waarheid geloofwaardig liegen (en de traditie in stand houden). Net als een goede dichter, hoor ik al iemand denken. Ja, dit gedicht blijkt opeens net zo rond als de gesloten muur waarover het spreekt. En zo hoort het.
____

Hans Franse (2021). Umbrisch getijdenboek – Le ore canoniche umbre. Uitgeverij Edizioni Era Nuova srl, 56 blz. € 10,00. ISBN 9788866620372

Geplaatst in Recensies.