Manuel Bandeira (Brazilië)

door Sander de Vaan

 

Kort voor zijn overlijden in 2007 had schrijver/vertaler August Willemsen veelvuldig contact met onze redacteur Sander de Vaan over verschillende projecten. Eén daarvan betrof het werk van de Braziliaan Manuel Bandeira, van wie hij eerder al bv. het prachtige gedicht ‘In diepe slaap’ had vertaald. Als eerbetoon aan August én aan Bandeira publiceren we hier het betreffende emailbericht van deze meestervertaler, plus zijn inleiding en een aantal gedichten in de brontaal en in vertaling.

 

Beste Sander,

Hierbij Bandeira, oude vertalingen, enigszins bijgewerkt en één nieuwe. Ik heb een inleidinkje bijgevoegd van 500 woorden, en het zijn 8 gedichten. Dat is teveel. Je had 6 als maximum aangegeven, maar ja, er zijn gedichten en gedichten, ik bedoel er zijn grote en kleine gedichten. 'Pasárgada' en het 'Laatste lied van de steeg' zijn tamelijk groot, maar het 'Gedicht van de steeg' telt maar twee regeltjes. Laten we overleggen wat er eventueel uit moet.
Ik stuur ook twee illustraties mee: een foto van Manuel Bandeira met (links) Vinícius de Moraes en een (evidente) bewonderaarster; en een getekend portret door de Japans/Braziliaanse kunstenaar Foujita. Als je ze gebruiken kunt, ga je gang.
Ik hoor wel van je wat je met dit alles doet.
Hartelijk,
August

 

 

MANUEL BANDEIRA

Manuel Bandeira (1886-1968) is de eerste van de ‘grote drie’ van de twintigste-eeuwse Braziliaanse poëzie, gevolgd door Carlos Drummond de Andrade (1902-1987) en João Cabral de Melo Neto (1920-2000). Geboren in Recife, de hoofdstad van de noordoostelijke staat Pernambuco, zag Bandeira zich door tuberculose gedwongen in 1904 een studie architectuur op te geven. Van 1913-1914 verbleef hij in een sanatorium in Zwitserland. Na terugkeer in Brazilië vestigde hij zich in Rio de Janeiro.
Na zijn eerste, laatromantische werk, begon hij in de jaren ’20, onder invloed van het Modernismo, vrije verzen te schrijven. In 1930 verscheen zijn vierde en misschien meest representatieve bundel, Libertinagem (‘Vrijbuiterij’), waarin alle grote thema’s worden aangegeven die in zijn latere werk zouden worden verdiept en gevarieerd.
Bandeira heeft nooit een geheim gemaakt van de tuberculose die zijn leven een andere wending gaf. Het thema van ‘een leven dat had kunnen zijn en dat niet was’ is uitdrukking van een diep frustratiegevoel, van het besef van onbereikbaarheid van het verlangde, van de behoefte aan vlucht uit de als te eng ervaren werkelijkheid (‘Gedicht van de steeg’, ‘Ik ga naar Pasárgada’). Dezelfde ziekte (die hem overigens niet belette zeer oud te worden) is ook verantwoordelijk voor het thema van de dood – maar een dood als dagelijkse metgezel. Dit is mede bepalend (omdat immers jarenlang elk gedicht zijn laatste kon zijn) voor de toon van zijn oeuvre, die is zoals hij zich zijn laatste gedicht wenste: teder, sprekend ‘van de eenvoudigste en minst nadrukkelijke dingen’.
Tot deze dingen behoort ook zijn kindertijd in Recife, die hij oproept in enkele onvergetelijke gedichten en die hem vaak brengt op het oude thema ubi sunt (‘Waar zijn zij’, etc.), zoals in ‘In diepe slaap’. Deze aanwezigheid van de dood én de onbereikbaarheid van juist de meest alledaagse dingen (zwemmen, fietsen) hebben bij Bandeira geleid tot een intense aandacht voor dingen en details die zelden eerder onderwerp van poëzie waren geweest.
Bandeira’s onnadrukkelijke lyriek, noch sentimenteel noch verheven, is dankzij zijn feilloos maatgevoel en de afwezigheid van elke metafysica op het eerste gezicht ‘gemakkelijk’. Zo dit hem heeft gemaakt tot de meest geliefde van Braziliës moderne dichters, zo bestaat anderzijds de neiging tot onderschatting. Het gevaar bestaat dat men ‘eroverheen leest’, dat men niet ziet hoeveel artistieke kunde deze verzen verbergen. De grote indruk, bijvoorbeeld, die uitgaat van ‘In diepe slaap’ is vooral toe te schrijven aan de constructie in twee delen met parallelle fragmenten, waardoor het verleden en de dood worden teruggehaald in het heden en in het leven. Dit gedicht, en veel van Bandeira’s werk, laat zich lezen als een parafrase van Aldous Huxley’s uitspraak ‘Het verleden is nooit dood; het is niet eens verleden’.
Deze bedrieglijke eenvoud is Bandeira’s meesterschap. Daardoor, en doordat hij op deze wijze, zonder één moeilijk woord, uitdrukking gaf aan een aantal universele thema’s, waarvoor men geen tuberculose gehad hoeft te hebben om ze te kunnen navoelen, is zijn werk onafhankelijk van stromingen en generaties en, tot nu toe, onaangetast door de corrosie van de tijd.

August Willemsen

Profundamente

Quando ontem adormeci
Na noite de São João
Havia alegria e rumor
Estrondos de bombas luzes de Bengala
Vozes cantigas e risos
Ao pé das fogueiras acesas.

No meio da noite despertei
Não ouvi mais vozes nem risos
Apenas balões
Passavam errantes
Silenciosamente
Apenas de vez em quando
O ruído de um bonde
Cortava o silêncio
Como um túnel.
Onde estavam os que há pouco
Dançavam
Cantavam
E riam
Ao pé das fogueiras acesas?

- Estavam todos dormindo
Estavam todos deitados
Dormindo
Profundamente.
Quando eu tinha seis anos
Não pude ver o fim da festa de São João
Porque adormeci.

Hoje não ouço mais as vozes daquele tempo
Minha avó
Meu avô
Totônio Rodrigues
Tomásia
Rosa
Onde estão todos eles?

- Estão todos dormindo
Estão todos deitados
Dormindo
Profundamente.

In diepe slaap

Toen ik gisteren insliep
Het was de nacht van Sint-Jan
Was er vrolijkheid en drukte
Geknal van bommetjes Bengaals vuur
Stemmen gezang en gelach
Rond de brandende vuren.

Midden in de nacht werd ik wakker
Hoorde geen stemmen meer geen gelach
Alleen ballonnen
Dreven over
In diepe stilte
Alleen het geluid van een tram
Zo nu en dan
Doorboorde de stilte
Als een tunnel.
Waar waren zij die zojuist nog
Dansten
Zongen
En lachten
Rond de brandende vuren?

- Ze sliepen allemaal
Ze lagen allen
Te slapen
In diepe slaap.
Toen ik zes jaar was
Kon ik het eind van het Sint-Jansfeest niet zien
Omdat ik in slaap viel.

Nu hoor ik de stemmen niet meer uit die tijd
Mijn oma
Mijn opa
Totônio Rodrigues
Tomásia
Rosa
Waar zijn zij allemaal?

- Ze slapen allemaal
Ze liggen allen
Te slapen
In diepe slaap.

Vou-me embora pra Pasárgada

Vou-me embora pra Pasárgada
Lá sou amigo do rei
Lá tenho a mulher que eu quero
Na cama que escolherei
Vou-me embora pra Pasárgada

Vou-me embora pra Pasárgada
Aqui eu não sou feliz
Lá a existência é uma aventura
De tal modo inconsequente
Que Joana a Louca de Espanha
Rainha e falsa demente
Vem a ser contraparente
Da nora que nunca tive

E como farei ginástica
Andarei de bicicleta
Montarei em burro brabo
Subirei no pau de sebo
Tomarei banhos de mar!
E quando estiver cansado
Deito na beira do rio
Mando chamar a mãe-d’água
Pra me contar as histórias
Que no tempo de menino
Rosa vinha me contar
Vou-me embora pra Pasárgada

Em Pasárgada tem tudo
É outra civilização
Tem um processo seguro
De impeder a concepção
Tem telefone automático
Tem alcalóide à vontade
Tem prostitutas bonitas
Para a gente namorar

E quando eu estiver mais triste
Mas triste de não ter jeito
Quando de noite me der
Vontade de me matar
- Lá sou amigo do rei –
Terei a mulher que eu quero
Na cama que escolherei
Vou-me embora pra Pasárgada.

Ik ga naar Pasárgada

Ik ga naar Pasárgada
Daar is de koning mijn vriend
Daar ligt de vrouw die mij gerieft
In het bed dat mij belieft
Ik ga naar Pasárgada

Ik ga naar Pasárgada
Hier ben ik niet gelukkig
Daar is het leven avontuur
En wel zo inconsequent
Dat Johanna de Waanzinnige van Spanje
Koningin en zogenaamd dement
Familie is van de schoondochter
Die ik nooit heb gekend.

En wát zal ik aan gymnastiek doen
Wát zal ik uit fietsen gaan
Op ongetemde ezels rijden
In kokanjemasten klimmen
Wát zal ik zwemmen in zee!
En als ik moe word ga ik liggen
Aan de kant van de rivier
Ik laat de watermoeder komen
Om mij de verhalen te vertellen
Die toen ik nog kleine jongen was
Rosa mij vertellen kwam
Ik ga naar Pasárgada

In Pasárgada heb je van alles
’t Is een ander soort beschaving
Er is daar een feilloze methode
Ter voorkoming van bevruchting
De telefoon werkt automatisch
Er zijn alkaloïden naar believen
Er zijn mooie prostituees
Waar je mee vrijen kunt

En als ik eens wat droever ben
Zo droevig dat het niet te harden is
Wanneer mij ’s nachts de lust bekruipt
Mijzelf van kant te maken
- Daar is de koning mijn vriend –
Dan ligt de vrouw die mij gerieft
Daar in het bed dat mij belieft
Ik ga naar Pasárgada.

O último poema

Assim eu quereria o meu último poema

Que fosse terno dizendo as coisas mais simples e menos intencionais
Que fosse ardente como um soluço sem lágrimas
Que tivesse a beleza das flores quase sem perfume
A pureza da chama em que se consomem os diamantes mais límpidos
A paixão dos suicidas que se matam sem explicação.

 

Het laatste gedicht

Zo wenste ik mij mijn laatste gedicht

Dat het teder was en sprak van de eenvoudigste en minst nadrukkelijke dingen
Dat het verzengend was als een snik zonder tranen
Dat het de schoonheid had van bloemen bijna zonder geur
De puurheid van de vlam die de meest transparante diamant verteert
-
De hartstocht van hen die zich zonder uitleg doden.

Momento num café

Quando o enterro passou
Os homens que se achavam no café
Tiraram o chapéu maquinalmente
Saudavam o morto distraídos
Estavam todos voltados para a vida
Absortos na vida
Confiantes na vida.

Um no entanto se descobriu num gesto largo e demorado
Olhando o esquife longamente
Este sabia que a vida é uma agitação feroz e sem finalidade
Que a vida é traição
E saudava a matéria que passava
Liberta para sempre da alma extinta.

 

Moment in een café

Toen de begrafenis langskwam
Namen de mannen in het café
Werktuigelijk hun hoed af
En groetten afwezig de dode
Zij waren allen gericht op het leven
Zij gingen op in het leven
Vertrouwden het leven.

Eén echter ontblootte het hoofd in een breed en langzaam gebaar
En bleef staan kijken naar de kist
Hij wist dat het leven een genadeloos en zinloos jachten is
Dat het leven verraad is
En groette de materie die langsging
Materie voor altijd verlost van de gedoofde ziel.

Poema do beco

Que importa a paisagem, a Glória, a baía, a linha do horizonte?
-
- O que eu vejo é o beco.

Gedicht van de steeg

Wat betekent het landschap, het kerkje van Glória, de baai, de lijn van de horizon?
- Wat ik zie is de steeg.

Última canção do beco

Beco que cantei num dístico
Cheio de elipses mentais,
Beco das minhas tristezas,
Das minhas perplexidades
(Mas também dos meus amores,
Dos meus beijos, dos meus sonhos),
Adeus para nunca mais!

Vão demolir esta casa
Mas meu quarto vai ficar,
Não como forma imperfeita
Neste mundo de aparências:
Vai ficar na eternidade,
Com seus livros, com seus quadros,
Intacto, suspenso no ar!

Beco de sarças de fogo,
De paixões sem amanhãs,
Quanta luz mediterrânea
No esplendor da adolescência
Não recolheu nestas pedras
O orvalho das madrugadas,
A pureza das manhãs!

Beco das minhas tristezas,
Não me envergonhei de ti!
Foste rua de mulheres?
Todas são filhas de Deus!
Dantes foram carmelitas…
E eras só de pobres quando,
Pobre, vim morar aqui.

Lapa – Lapa do Desterro –,
Lapa que tanto pecais!
(Mas quando bate seis horas,
Na primeira voz dos sinos,
Como na voz que anunciava
A conceição de Maria,
Que graças angelicais!)

Nossa Senhora do Carmo,
De lá de cima do altar,
Pede esmolas para os pobres
- Para mulheres tão tristes,
Para mulheres tão negras,
Que vêm nas portas do templo
De noite se agasalhar.

Beco que nasceste à sombra
De paredes conventuais,
És como a vida, que é santa
Pesar de todas as quedas.
Por isso te amei constante,
E canto para dizer-te
Adeus para nunca mais!

Laatste lied van de steeg

Steeg, bezongen in twee verzen
Tot één gedachtesprong herleid,
Steeg van mijn diepe treurigheden,
Van mijn angsten en verlangens,
(Maar de steeg ook van mijn liefdes,
Van mijn kussen, van mijn dromen),
Vaarwel voor eeuwig en altijd!

Dit huis hier wordt nu afgebroken.
Maar mijn kamer blijft bestaan,
Niet als een onvolmaakte vorm
In deze uiterlijke wereld:
Hij blijft bestaan in de eeuwigheid,
Hoog in de lucht, met al zijn boeken,
Met alles erop en eraan!

Steeg van brandende braambossen
En van passies zonder morgens,
Hoeveel mediterraans licht
Is in de glans der jonge jaren
Op deze stenen niet gevangen
Door de dauw der ochtenden,
De zuiverheid der vroege morgens!

Steeg van mijn diepe treurigheden,
Je hebt me nooit voor jou doen schromen!
Was je een straat van lichte vrouwen?
Zij allen zijn kinderen Gods!
Ooit waren het karmelietessen…
En je was een straat van armen
Toen ik, ook arm, hier kwam wonen.

Lapa – Lapa do Desterro – ,
Wijk van zo grote zondigheid!
(Maar wanneer de zes slagen vallen
In de stem van ’t klokkenspel,
De stem die de ontvangenis
Heeft aangekondigd van Maria,
Dan, welk een engelachtigheid!)

Onze Vrouwe van de Karmel
Vraagt, van de hoogte waar zij staat,
Aalmoezen voor de arme mensen,
- Voor vrouwen die zo treurig zijn,
Voor vrouwen die zo donker zijn,
En die des avonds voor de kerkdeur
Een toevlucht zoeken van de straat.

Steeg, die onder kloostermuren
Geboren bent en hebt geschreid,
Je bent zoals het leven, goed
In weerwil van de tegenslagen.
Daarom heb ik je altijd liefgehad
En zing ik je en zeg ik je
Vaarwel voor eeuwig en altijd!

Consoada

Quando a Indesejada das gentes chegar
(Não sei se dura ou caroável),
Talvez eu tenha medo.
Talvez sorria, ou diga:
.                                  - Alô, iniludível!
O meu dia foi bom, pode a noite descer.
(A noite com os seus sortilégios.)
Encontrará lavrado o campo, a casa limpa,
A mesa posta,
Com cada coisa em seu lugar.

Avondmaal

Wanneer de Onverbeide der mensen daar zal zijn
(Hetzij grimmig hetzij liefdevol),
Misschien ben ik dan bang.
Misschien ook glimlach ik, of zeg ik:
.                                                         ‘Welkom, onontkoombare!
Mijn dag was goed, de nacht mag vallen.
(De nacht met zijn betovering.)
De akker is geploegd, het huis aan kant,
De tafel is gedekt,
Met alle dingen op hun plaats.’

Preparação para a morte

A vida é um milagre.
Cada flor,
Com sua forma, sua cor, seu aroma,
Cada flor é um milagre.
Cada pássaro,
Com sua plumagem, seu vôo, seu canto,
Cada pássaro é um milagre.
O espaço, infinito,
O espaço é um milagre.
O tempo, infinito,
O tempo é um milagre.
A memória é um milagre.
A consciência é um milagre.
Tudo é milagre.
Tudo, menos a morte.
- Bendita a morte, que é o fim de todos os milagres.

Voorbereiding op de dood

Het leven is een wonder.
Elke bloem,
Met haar vorm, haar kleur, haar geur,
Elke bloem is een wonder.
Elke vogel,
Met zijn veren, zijn vlucht, zijn zang,
Elke vogel is een wonder.
De ruimte, oneindig,
De ruimte is een wonder.
De tijd, oneindig,
De tijd is een wonder.
De herinnering is een wonder.
Het bewustzijn is een wonder.
Alles is wonder.
Alles, behalve de dood.
- Gezegend de dood, die het eind is aller wonderen.

Vertaling (c) August Willemsen

 

Geplaatst in Interviews.