Atze van Wieren – Aan alles voorbij

Een zwart gat voorbij

door Maurice Broere




Atze van Wieren is geen onbekende, in Meander zijn verschillende recensies en een interview te vinden. Hij is vrij laat gedebuteerd en heeft daarna regelmatig gepubliceerd, nu dus Aan alles voorbij, zijn vierde bundel, die is verdeeld in vier afdelingen. In de eerste ‘Aan tranen voorbij’ komen gedichten voor met onderwerpen als de dood, het virus en vergankelijkheid. In de tweede ‘Aan eilanden voorbij’ vinden we verzen met natuurobservaties, de dood is nooit ver weg.

Uit deze afdeling komt dit gedicht:

Wantij

Als water voor de wind gaat
golven rollebollen
de diepte niet duistert
als ik mij laat wiegen
laat wiegen.

Als er weet is van kusten
waar ik in tegenstromen
kopje onder kan gaan
het harde spel van erop eronder
erop eronder.

Als maar niet wantij wacht
met het niet voor- of achteruit
waar stroming haar weg niet weet
water tot stilstand –
tot stilstand komt.

Het toeval wil dat ik aan het Wantij woon, vanuit mijn kamer kijk ik uit op dit riviertje dat onderdeel uitmaakt van de Hollandse Biesbosch. Doordat er maar van een kant water in kan stromen, is er sprake van eb en vloed en voldoet het niet aan de definitie die Van Dale geeft aan wantij: draaiing of stilstand in het water, waar twee vloedstromen elkaar ontmoeten. Het wantij van Van Wieren voldoet wel aan de definitie. In de eerste strofe schetst hij de situatie van water dat vrij spel heeft en door de wind wordt opgestuwd. In de tweede strofe is er sprake van een tegenstroom waar de ik tegenin moet gaan. De laatste strofe gaat over stilstand waar geen voor- of achteruitgang is. Dat lijkt niet de voorkeur te hebben van de dichter. Je zou het gedicht kunnen zien als een metafoor voor het leven: af en toe dynamisch, je mee laten voeren met de golven van de tijd, af en toe tegenstand ondervinden, maar nooit statisch en wachten op wat komen gaat. Er is sprake van een vrij strakke opbouw in drie kwintijnen en opvallend is de herhaling in de laatste twee zinnen van de strofes. Bij herhaling moet je altijd de vraag stellen of het zinvol is en ik denk het in dit geval wel, omdat het de toestand in de strofe benadrukt.

In de derde afdeling ‘Aan de sterren voorbij’ staan het heelal, de sterren, het grote geheel centraal. Hieruit:

Hier

Gelukkig zijn ze heel ver weg,
ze zegt het zachtjes met een kleine lach.
In de roezemoes van het café gaan
haar woorden in gerinkel verloren.

Tussen ons ter tafel ligt het zwarte gat.
Wij opperen de gekste dingen, ik
ernstig, zij los van zwaartekracht.
Ik zeg: blijf bij de rand vandaan.

Als, vraag ik, in een zwart gat de natuur-
wetten niet meer gelden, de wetenschap
sterft, waar mij dan nog aan vast te houden?

Zij drinkt haar bier, de ogen wakker
en warm met rond haar mond die smalle lach.
Ach, zegt ze, het is nu en wij zijn hier.

Wat er ver ligt, is de vraag in dit sonnet. We vallen midden in een conversatie tussen twee mensen in een rumoerig café. Volgens de tweede strofe is er nogal wat afstand tussen de ik-persoon en een zij. Enerzijds gaat het over astronomie, het zwarte gat. De ik is serieus, de vrouw denkt wat luchtiger. Hij is bang dat ze in het zwarte gat valt en hij haar kwijtraakt. Wat is je houvast in het leven? Waar moet je je aan vasthouden als de wetenschap geen zekerheid meer biedt? Zij is inderdaad veel losser en brengt hem weer terug in de werkelijkheid van alledag, in het hier en nu: in een café samen aan een biertje. Eigenlijk zegt ze: ‘Geniet van het hier en nu, dat is de enige zekerheid die je hebt.’

De laatste afdeling ‘Aan alles voorbij’ bevat gedichten met allerlei observaties, zoals duidelijk wordt in het onderstaande gedicht.

Rietkraag

In rietkraag winterwarboel,
het in verval geraakte
met aankoeksel van wat kwam,
zich hechtte en niet weer ging,
geur van wat te lang al ligt.

Opnieuw lente.

Leven onder ogen zien.

Dit gedicht komt uit de laatste afdeling ‘Aan alles voorbij’ en vormt een uitzondering door zijn losse opbouw (kwintijn en twee verzen). In de overige gedichten van de bundel is steeds sprake van een regelmatige strofebouw, enkele sonnetten zelfs. Opvallend is de telegramstijl, geen woord te veel, maar erg beeldend. Inhoudelijk zien we een natuurobservatie, iets wat we allemaal tegen kunnen komen. Een oever waar aan het eind van de winter nog wat resten liggen te vergaan. De lente dient zich aan en zal bloeien op de rottende restanten van de voorbije winter. De overeenkomst met ons leven is voor de hand liggend. We gaan weer verder na een periode dat het minder ging.

Verwacht van Van Wieren geen riskante poëtische experimenten, hij levert degelijke poëzie af met mooie observaties, die hij koppelt aan inspirerende gedachten die de lezer aan het denken zetten over religie, (on)eindigheid en de zin van het leven. In de meeste gedichten ontbreekt eindrijm, assonantie komt veelvuldig voor en zorgt ervoor dat het goed klinkt mede door het metrum. Kortom, een mooie bundel om in te verdwalen op de lange, donkere avonden in deze tijd van het jaar.
____

Atze van Wieren (2021). Aan alles voorbij. Uitgeverij IJzer, 64 blz. €16,50. ISBN 9789086842223

Geplaatst in Recensies.