Petra van Rijn

Petra van Rijn (1956) schrijft gedichten in een vrije vorm met aandacht voor klank en ritme. Haar onderwerpen liggen meestal in wat dichtbij is en wat haar raakt, vaak met een toets van melancholie. Ook de terugblik op haar jeugd is een bron van inspiratie.
Zij maakt deel uit van zowel Dichterskring Alkmaar als het Alkmaars Dichtersgilde en publiceert daar enkele malen per jaar een gedicht over een actueel thema.

 

Nabestaan

Later wist niemand meer wie de foto’s had gemaakt
waarop ze de krant lazen in de achterkamer,
bij het raam met de witte vitrage en de bloeiende planten.

Buiten gedijden ridderspoor en clematis, dahlia’s, violen
en al is de goudenregen versleept nadien,
de tuin vertrapt en omgewoeld door nieuwe bewoners,

ik ken hem nog met spijt hoe het allemaal ging,
hun oude dag, mijn jonge jaren, de scherven en de woorden
waar niemand iets aan kon doen.

Ik weet nog van zomers dat er altijd wel een baby
op een kleed, wij bruinend in onze beha’s op de tegels,
zij zwetend met de inmaak, hij ongedurig in de zon.

Het papier weerkaatst de flits in hun gezicht
voor altijd vastgelegd met de glans
die er toen niet was en toch altijd zal blijven

 

De naalden

Er waren monden te voeden, dochters te kleden,
ze werden gemeten om taille en tors.
Patronen geraderd, stof geknipt,
contouren doorgeslagen
tot een stippellijn van pluizig draad.

Het rijgen van een jurk, een jas,
een bloes. Het passen met lippen vol spelden,
handen fladderend langs ledematen
– kind, sta in ‘s hemelsnaam stil!-
het sjorren, het trekken, en dan het stikken
op de Minerva.
Scherp als de bliksem een spoor van steken,
een knal als een schot als de naald weer eens brak.
Zuchten, vloeken, een nieuwe.

Toch de naden voltooid,
dan de knopen met de hand.

Daarna nog tijd tot in de kleine uren
om een bruidsjapon te maken
voor de barbiepop van de jongste
met strakke lange mouwen, een rits
in de rug en parels op de sluier.
Vader

Hij pootte de aardappels in het voorjaar
op het eiland waar hij koning was
als op zijn eigen erf, waar hij, schel fluitend
rondknerpte op zijn klompen.
Hij begroef de knollen met knoestige handen
– het eelt ging er nooit meer af –
in de vrije armoede van na de oorlog.

Veel later nog zorgde hij voor
vrouw en dochters, schoonfamilie
met Libertassen, Bintjes en Irenes,
geteeld met toewijding
van pootgoed uit het tuindersblad.

Hij rooide ze de zomer uit.
op zijn knieën tussen de bedden
De grijze grond was korrelig
de klonten spatten uiteen
als hij ze beetpakte, fijnkneep
in weerloze woede
en onbegrepen liefde.

 

Geplaatst in Gedichten.