Rozalie Hirs – oneindige zin

Terloops geluk

door Paul Roelofsen




Het bijzondere van Rozalie Hirs (1965, Gouda) is niet zozeer dat zij behalve dichter ook componist is – zij volgde lessen aan het Utrechts Conservatorium en het Koninklijk Conservatorium in Den Haag – maar dat zij onder meer muziek met spreekstem op eigen tekst samenstelt, de abstracte taal van muziek combineert met de taal van haar poëzie. Die laatste is overigens niet de taal waaraan wij gewend zijn met al haar ABN-regels; in eerdere bundels die Hirs publiceerde wordt elke bundel gekenmerkt door een nieuwe benadering van de taal, waarin zij zelf – leve de dichterlijke vrijheid – de regels bepaalt. In oneindige zin gebruikt zij bijvoorbeeld geen kapitalen en interpunctie waardoor de lezer niet weet waar een zin begint en eindigt. En omdat haar syntaxis ook al niet de gebruikelijke is – Hirs husselt en schuift naar hartenlust met woorden en zinsdelen – wordt er veel van de lezer gevraagd. Althans van de lezer die haar poëzie wil begrijpen.

tussentijd

volgt het goud zo goed als klaarwakker schaamgestreken
morgen onontgonnen archief van terloops geluk

op blote voeten rakelings langs daad aan stukken daags
verzuchtend veelvuldig zaad het sprakeloze pas in aarzelende

(…)


Daar sta je dan en zucht. Ik herlees hardop, plaats zelf punten en komma’s maar het lukt me niet de code te kraken. Er zit niets anders op dan hersenloos door te lezen, de poëzie over me heen te laten komen of het instrumentale muziek betreft. En voorwaar deze aanpak wordt beloond met een toenemend genoegen. Vooral de slotregels van meerdere gedichten eindigen prachtig en zijn ook te volgen:

sterrenwemeling

(…)

licht verstrooiend een knoop in je zakdoek met de hand
getrokken nagel aan je knokenkist loop je langs het strand

steek je achterlijke koplamp in het zand met het oog gericht
op regenboog van weggeweest een nieuwe ochtend in zicht


De bundel bestaat uit acht korte delen waarvan verscheidene een cyclisch karakter hebben, samenvallend met de rondgang van dag en nacht, de getijden en de seizoenen. Dat de lente hierin een prominente rol speelt stemt oneindige zin als geheel opgewekt en bevrijdend:

Galerij

(…)

je enorme innerlijke damhert de tijd heeft met het duister
zelf hemels achter levenden aan te jagen de aarde

in de lente te derven haar eindeloze opeenvolging
van standaard naaldgrassen te breken een doolhof

geheimere verstrooiing met een paar fladderende vlinders
heerst er zomer in mij komt tot licht in het woord amen


Met zulke regels kun je de dag wel aan. Maar in de lange cyclus
‘magie van een mogelijk heden’ komen wij in tegenstelling tot de algemene tendens van de bundel ook zwaarmoedige fragmenten tegen:

(…)

kus de afwezigheid van kennis gedoemd tot waarheid
werkelijk open en wendbaar als een ziel onherroepelijk

verlangt naar onthulling van gebeitelde lotsgebonden verhalen
altijd terugkerend naar ja ook dat verschrikkelijke ogenblik

van afgesloten zijn droefheid om wat voorbijgaat
de uiterste grens van de wereld zijn laatste herhalen

het onmogelijke monster van de herinnering omkeert
dezelfde begrippen veranderen dan je voelen denken kan


Het gedoemd zijn tot waarheid, het onherroepelijke, het altijd terugkeren naar dat verschrikkelijke ogenblik van afgesloten zijn en het onmogelijke monster van de herinnering, van deze quotes word je minder vrolijk maar ze maken dit deel van de cyclus wel indrukwekkend. En voor de bundel is het goed dat deze niet alleen hosanna uitstraalt. Rozalie bewaart het mooiste voor het laatst. Het is de serie ‘hand in hand’ die zij schreef voor de gelijknamige muziekcompositie, in opdracht van de Förderkreis für Neue Musik Heilbronn. De cyclus bestaat uit vijf verzen, waarvan ik achtereenvolgens uit elk een paar regels citeer:

kus me met je kussen de kussen van je mond je adem uitgegoten
naam van de geliefde die zich verspreidt als vanzelf zo geliefd ben jij

(…)

bij de reeën en hinden in het veld dat liefde niet gewekt of opgewekt
tot ze vanzelf naar lust verlangt zo komt jouw stem geliefde aanspringen

(…)

vriendin je ogen zijn duiven je haren een sneeuwlawine van het gebergte
af golvend je tanden een rij wolken juist stappend uit de rivier

(…)

zo mooi zijn je blote voeten in sandalen je dijen als gebouwen
je borsten als vruchten zo mooi is je lichaam een kelk in de hoop

(…)

de bloeiende granaatappelbomen en zonder dat ik het weet
heeft mijn verlangen me al in beweging gezet kom dan! kom nog eens!

(…)


Dit gedicht breekt goeddeels met de experimentele zinsbouw van de verzen ervoor, het is een buitenbeentje en een ode aan de liefde en de verliefdheid, geïnspireerd zo komt het me voor door de klassieke Arabische dichtkunst; het gedicht golft op metaforen waarin lelies – Rozalie spreekt van rooslelies! -, duiven, reeën, hinden en granaatappels eruit springen, woorden die ook rijkelijk zijn vertegenwoordigd in de Arabische literatuur. (En ook in het Bijbelse Hooglied van Salamo).

Men kan deze scheiding met de ervoor gebruikte experimenten als een stijlbreuk ervaren, maar ook als de kers op de taart. Ik ga voor het laatste.

____

Rozalie Hirs (2021). Oneindige zin. Uitgeverij Querido, 88 blz. € 16,99. ISBN 9789021436647

Geplaatst in Recensies.