Speelkwartier in kwade tijden

door Jan Loogman

Als poëzie spelen met taal is, kan de vraag gesteld worden of dit wel een tijd voor poëzie is. Wie doet er in crisistijden aan speelkwartier?

In 1935 dichtte George Orwell: A happy vicar I might have been / Two hundred years ago / To preach upon eternal doom / And watch my walnuts grow; // But born, alas, in an evil time, / I missed that pleasant haven, … In vreedzame tijden, schrijft hij tien jaar later , zouden vooral esthetische motieven zijn schrijven bepaald hebben. In de tijd waarin hij feitelijk leefde, kon hij zich deze luxe niet veroorloven. Die conclusie had hij in 1935 nog niet bereikt, al toont A happy vicar dat hij er dichtbij is.

Een jaar later verhuisde Orwell vanuit Londen naar Wallington, een afstand van ongeveer vijftig kilometer, maar de verandering was ingrijpend. De drukke stad maakte plaats voor een dorp van amper tweehonderd inwoners; het verkeer was nog niet wat het tegenwoordig is: de verhuizing was er echt een naar het platteland. Orwell hoopte hier rust te vinden voor zijn schrijfwerk. Ondanks de kwade tijden (de economische depressie, de opkomst van het fascisme en wat Orwell betreft ook die van het Sovjet-communisme) wilde hij kennelijk toch zijn pleasant haven creëren.

Het pand dat hij huurde, bood hem een woning die wij nu Spartaans noemen: geen elektriciteit, geen gas, geen stromend water. Aan de voorkant was er ook winkelruimte waar de dorpswinkel had gezeten, die ten tijde van Orwells aankomst al een jaar gesloten was. Orwell besloot de zaak in de middaguren weer open te doen en schafte zich met het oog op de verkoop van bacon een snijmachine aan. Zijn plan leek solide: ’s ochtends zou hij schrijven, ’s middags zou hij de winkel doen. Door de dag heen wilde hij bovendien tijd vinden voor een moestuin en voor de kippen en geiten die hij hield. Zijn eerste half jaar in Wallington, de periode vóórdat hij in december naar Spanje vertrok om er te vechten in de Spaanse Burgeroorlog, is achteraf door sommigen de gelukkigste periode in zijn leven genoemd. Zijn huwelijk in juni 1936 met Eileen O’Shaughnessy zal een belangrijke bijdrage aan zijn geluk geweest zijn. Maar ook de zorg voor geiten en kippen gaf hem levensvreugde, net zoals het werken in de tuin. Al in zijn eerste weken in Wallington plantte hij fruitbomen, kruisbessenstruiken en ook rozenstruiken.

Orwell is in 1936 33 jaar, hij heeft vier boeken op zijn naam staan, waaronder drie weinig baanbrekende romans. Hij werkt in zijn eerste maanden in Wallington aan The road to Wigan Pier, een reportage in boekvorm over het leven van mijnwerkers en hun gezinnen in het Noord-Engelse Wigan. Zodra hij in december 1936 het manuscript bij zijn uitgever heeft ingeleverd, vertrekt hij naar Spanje. Zijn ervaring daar maakte hem in zijn eigen ogen tot politiek gemotiveerde schrijver, maar eigenlijk toont hij zich in The road to Wigan Pier al zo.  Hoe dan ook, Homage to Catalonia kwam in 1938 uit en Orwell mengde zich vanaf dat moment nog nadrukkelijker dan voorheen in het maatschappelijk – en politiek debat.  The pleasant haven was ver weg, het waren kwade tijden.

Tien jaar later, zijn satire op het Sovjet-communisme, Animal Farm, was al verschenen en hij werkte aan 1984, was Orwell nog eens in Wallington. Eigenlijk had hij er nooit lange perioden achtereen gewoond en vanaf 1940 was het ook niet meer zijn officiële adres, al hield hij het pand nog enkele jaren aan. Bij zijn kort bezoek in 1946 bekeek hij wat er geworden was van de bomen en struiken die hij tien jaar eerder had geplant. Vooral de Cox Orange, een appelboom die de zwakste van zijn aanplant had geleken, viel hem op. ‘Zelf heb ik nooit een appel ervan gehad, maar het ziet ernaar uit dat iemand anders er behoorlijk veel van zal hebben,’ schreef hij.  Hij stelde zich voor dat de Cox nog honderd jaar later appels zal leveren en concludeert dat een mens als een weldoener kan eindigen, ongeacht wat hij in zijn leven aanricht, mits hij maar bomen of struiken plant.

Mijn jongste dochter gaf me kortgeleden het boek Orwell’s Roses dat in 2021 verscheen. In het boek gaat essayiste Rebecca Solnit naar Wallington om te zien hoe de door Orwell geplante bomen en struiken ervoor staan. De bomen blijken verdwenen, gekapt door mensenhanden, ook de Cox. Maar twee van de rozenstruiken zijn exuberantly alive. Het legaat van Orwell bestaat in de 21e eeuw dan weliswaar niet uit een walnotenboom – zoals dat van een happy vicar –  en zelfs niet meer uit de door Orwell geplante appelboom, maar zijn rozen bloeien nog. Is het veelzeggend dat van zijn aanplant juist die struiken nog vol leven zijn, die het vooral van hun schoonheid moeten hebben?

Orwells poëzie blijkt minder vitaal dan de rozenstruiken. Toen in 2015 onder druk van The Orwell Society zijn gedichten gebundeld werden uitgebracht, kopte The Guardian: ‘If you love George Orwell, never read his poems.’ Zijn literaire nalatenschap omvat gelukkig veel meer. Animal Farm en 1984 zijn nog altijd actueel, maar wat mij betreft zijn vooral zijn essays en columns het lezen waard, vanwege de heldere stijl maar zeker ook vanwege een ander element. Ernstig en geëngageerd als hij was, toont Orwell vooral in zijn columns vrolijke speelsheid. Dus: ja, ook in crisistijden kan er met taal gespeeld worden; dat combineert prima met een serieuze inzet.

 

foto’s:
1) www.thetimes.co.uk
2) www.orwelltoday.com
3) www.historiek.net   (dit is een straatnaambordje in Barcelona)
4) www.rozenrijk.nl

 

 

Geplaatst in Column.