Gek, ziek en geniaal.

door Karel Wasch

 

Ik heb mij vaak afgevraagd hoe het mogelijk is dat in één persoon verschillende karakters zijn verenigd. Daar zijn overigens veel boeken over volgeschreven.

Neem de beroemde dichter Gerrit Achterberg (1905-1962).

foto: Hans de Jong

Hij schreef prachtige gedichten, werd bejubeld en bekroond, maar in dezelfde persoon huisde een moordenaar en potloodventer. Hij vermoordde zijn hospita en toonde zijn geslachtsdeel aan kleine kinderen in de Scheveningse duinen. Toch meldde een van zijn psychiaters Hans Keilson dat hij Achterberg als een genie beschouwde, maar met de nodige afwijkingen.

De dichter is een koe

Gras… en voorbij het grazen
lig ik bij mijn vier poten
mijn ogen te verbazen,
omdat ik nu weer evengrote
monden vol eet zonder te lopen,
terwijl ik straks nog liep te eten,
ik ben het zeker weer vergeten
wat voor een dier ik ben – de sloten
kaatsen mijn beeld wanneer ik drink,
dan kijk ik naar mijn kop, en denk:
hoe komt die koe ondersteboven?
Het hek waartegen ik mij schuur
wordt oud en glad en vettig op den duur.
Voor kikkers en voor kinderen ben ik schuw
en zij voor mij: mijn tong is hen te ruw,
alleen de boer melkt mij zo zalig,
dat ik niet eenmaal denk: wat is hij toch inhalig.
’s Nachts, in de mist, droom ik gans onbewust
dat ik een kalfje ben, dat bij de moeder rust.

Gerrit Achterberg (1905-1962)
Uit: Eiland der ziel (1939)

Er zijn essays over hem geschreven en psychiaters gingen in zijn werk op zoek naar aanwijzingen van gekte. De meeste pogingen leverden niet veel op.

Of Jan Arends (1925-1974), schrijver van de onsterfelijke strofe ‘Ik vraag/geen mensen/bij mij thuis/Ik weet/dat wie koffie/bij mij drinkt/zich later ophangt.’ Hij sprong van een huis aan het Roelof Hartplein in Amsterdam. Zijn grote afwijking was dat hij zich als huisknecht aandiende bij rijke mensen. Hij werkte een tijdje maar vernielde dan de keuken en vertrok met stille trom.

Een man uit de psychiatrische Inrichting Den Dolder dichtte: ‘Ik ben wel gek/maar nog niet zo gek/als de gekste gek/die van gekkigheid/niet weet hoe gek/hij moet doen/om nog gekker/te lijken/dan/de allergekste gek/die gek is/te gek/zo gek ben ik.’ Er bestond zelfs een heuse club voor dichters, die zichzelf psychiatrisch noemden met Menno Wigman en Frank Starik, helaas allebei overleden.

Willem de Mérode (1887-1939) was niet bepaald krankzinnig, maar raakte in moeilijkheden omdat hij verliefd werd op minderjarige jongens. Dat deed hem zelfs 8 maanden in de gevangenis belanden. Ook werd hij aanvankelijk geroyeerd uit de Verenging voor Letterkundigen, maar na protesten kon hij toch weer toetreden.

De krankzinnige

Zij zeggen, dat ik zo verstandig praat,
En dat geen trek in mijn gelaat
Verraadt dat ik krankzinnig ben;
Dat ik wel gek, maar zeer zachtzinnig ben.
Maar of mijn zinnen krank zijn,
Mijn geest kan toch wel blank zijn
En met wijsheid verzaad?
Ik ben als een granaat,
Die dagenlang kan rollen,
Kindren met zich laat sollen,
Tot hij, opeens bewust
Van zijn vernielingslust,
De mensen verslaat.

Willem de Merode
Spiegelbeelden (1937-1938)

C.B. Vaandrager (1935-1992) Cor voor intimi, kreeg de Anna Blamanprijs voor zijn oeuvre. Hij raakte echter danig in de war, vooral door drugsgebruik en leefde in Rotterdam als een zwerver. Overigens ondersteund door Martin Bril en Hans Sleutelaar. Onderstaand gedicht is van een wonderschone krankzinnigheid.

Writers at work

Ik zit zo prachtig geparalyseerd
te wachten voor de ramen van een zeekasteel.
Stil als een boegbeeld.
Blad stil,
perfect als een prothese. Ik zit

zo prachtig geparalyseerd
te tikken met een meisje, pennenmesje in mijn voorhoofd.
Ik geef schouderklopjes aan een windei.

Soms adem ik,
soms fluit ik,
soms ar-ti-ku-leer ik. Soms

beadem ik de ramen van mijn zeekasteel.
En kondenseer.
Schrijf
meer dan een moraal, meer
dan een kunstvoorwerp. Ik vier
mijn riem en denk
aan een bretel of vriendelijker buikband.

Mijn hart is intakt. Heb kontakt
met dat hart – weet het wel
zoals de meeuwen het wel weten, hartelijk?
snavelend
verschrikkelijk dicht bij de ramen van mijn zeekasteel.
Verrukkelijk
vergeefs. Ik
savoereer!

Ik schrijf zo prachtig geparalyseerd,
zwart, onbewogen,
aanhoudend (in een schietstoel) groei ik niet, vinger
in een stopkontakt. In een zee van tijd
ik prepareer.

Paul Verlaine (1844-1896) schoot op zijn vriend Rimbaud in een vlaag van krankzinnigheid vermengd met absint, maar o wat een prachtig werk liet hij na.

De Engelse dichter Ezra Pound (1885-1972) ten slotte werd na zijn dood betiteld als fascist en gek, maar zijn poëzie is nog steeds van een tijdloze schoonheid. Zo zie je maar weer:
Onze Lieve Heer heeft vreemde kostgangers, vooral dichters. En worden Uw gedichten de hemel in geprezen, vraag U dan af of U niet knettergek bent of op zijn minst gestoord!

 

Geplaatst in Column.