“in de poëzie voel ik me nu ook vrij”

Ineke Roberta Riem (Oudenhoorn, 1980) schrijft romans, verhalen en poëzie. Ze studeerde Nederlands in Groningen en Londen, en een jaar aan de schrijfopleiding van de Rietveld Academie in Amsterdam. Haar debuutroman ‘Zeven pogingen om een geliefde te wekken’ (2013) werd bekroond met de Bronzen Uil en de Dioraphte Jongerenliteratuur Prijs; een van de gedichten uit haar tweede dichtbundel ‘Fantasii’ (2021), werd bekroond met de Poëzieprijs Melopee Laarne. Riem tekent ook en werkt momenteel aan een roman over een Nederlandse sterrenkundige op Hawaii.
Alja Spaan sprak met haar.

 

foto © Erik Smits

 

Aanleiding voor dit interview was het winnen van de Poëzieprijs Melopee Laarne in België, waarvoor nog de felicitaties. Het winnende gedicht staat op je site. Was je moeder echt bezorgd? We lezen ‘omdat ik denk dat ik de huur met woorden kan betalen’.
Ja, mijn moeder sliep slecht vanwege mijn financiële situatie. Ik kon een paar jaar terug de huur niet meer betalen en had tegelijkertijd een writer’s block, eigenlijk een soort burn-out waardoor je ook niet even makkelijk ander werk gaat doen. Ik vond het heel naar dat zij die stress had. Ik had natuurlijk zelf ook stress, maar toch vind ik weinig geld hebben beter te verdragen dan werk doen dat me leegzuigt.

Het gedicht komt uit je recente bundel Fantasii (2021). Je hebt een grote uitgever en er verscheen o.a. een recensie in Trouw, een jaloersmakende positie voor een dichter. Monna noemt je gedichten bezield; het is een gedrevenheid die je kenmerkt. Ook ben je plezierig pretentieloos gebleven. Bewust?
Zijn er dichters met pretenties dan? Volgens mij geldt voor bijna iedereen in de poëzie dat we schrijven of lezen uit liefde voor de dichtkunst. Wie een groot ego heeft, houdt het niet lang vol in deze kunstvorm, denk ik. Ik ben super dankbaar voor de aandacht voor mijn bundel en dat De Arbeiderspers die wilde uitgeven. Je weet misschien niet dat ik ‘pas’ op mijn drieëndertigste debuteerde, daarvoor was ik jaren docent Nederlands en poëziedocent omdat mijn werk meestal werd afgewezen, terwijl ik al vanaf mijn zestiende gedichten schreef en altijd dichter wilde worden. Dus misschien hebben die teleurstellingen mogelijke pretenties weggevaagd.

Moet je veel van jezelf? In de recensie in Tzum over die bundel valt het woord ‘onverbiddelijk’. Staat er in een gedicht eerst nog ‘kunnen’, later is het ‘moeten’. Verlang je terug naar een ‘onbereikbare toekomst’?
Ik moest als kind ontzettend veel met als gevolg dat ik enorm allergisch ben voor ‘moeten’. Dus ik probeer heel mild en aardig voor mezelf te zijn. Maar dat betekent niet dat ik mijn angsten de baas laat spelen. Er is een deel in mij dat het liefste zou wegkruipen. Ik vond het doodeng om het korte verhaal over mijn moeders dood door covid vorig jaar naar een krant te sturen, maar daartoe heb ik mezelf wel gedwongen. Als vrouw in de kunsten naar buiten treden in deze tijd, nu dat kan terwijl er voor de meeste artistieke vrouwen uit het verleden nul kansen waren – dat is wél iets wat ik moet van mezelf. Doen wat anderen vóór mij niet konden.
Met die ‘onbereikbare toekomst’ bedoelde de recensent van Tzum de hang naar een sprookjesachtige fantasiewereld. Het is wel waar dat ik een tikje dromerig ben aangelegd. Maar ik heb verder heel aardse verlangens hoor. Zoals een mooie reis naar Hawaii maken voor mijn nieuwe roman – van de envelop die mijn moeder me naliet.

Ook je ‘droomdebuut’, Alle zeeën zijn geduldig (2015), werd besproken door een grootheid, Arie van den Berg in NRC. Hoe was dat om zo ‘binnen’ te komen?
Ik was heel dankbaar voor de mooie recensies van mijn debuut. Ik weet hoe het is als er geen aandacht voor je werk is terwijl je er wel veel liefde in stopt en voor hoeveel dichters dat geldt, dus als er dan iets moois gebeurt zoals een recensie in een grote krant dan ben ik daar oprecht heel blij mee. Aan de andere kant vind ik het eigenlijk best moeilijk om om te gaan met beoordelingen van mijn werk. We leven in een wereld die enorm gericht is op wat anderen van je vinden. Alles draait om de ‘reviews’. Zelf probeer ik liever zo min mogelijk meningen te hebben. Zeker als het om kunst gaat. Als iets mij niet aanspreekt, dan is het bedoeld voor iemand anders. Klaar.

Over die bundel en het maken van poëzie zeg je in het radioprogramma Nooit Meer Slapen (2015) dat je altijd al een buitenbeentje was. Heeft die positie ook te maken met het komen van een (Zuid-Hollands) eiland?
Het is natuurlijk mooi symbolisch om van een eiland te komen en dan anders te zijn, maar mijn jeugdvrienden en tig andere mensen van dat eiland zijn geen buitenbeentjes. Dus het ligt denk ik aan mij, omdat ik opvallend anders was dan andere kinderen: extreem gevoelig, overdreven leergierig en hypercreatief.

Je wilt de werkelijkheid graag ruim opvatten, ‘want wat niet kan gebeurt natuurlijk ook’, stelt de interviewer Ester Naomi Perquin daar. Veel ruimte op dat eiland om te fantaseren. De laatste generatie voor een gameboy, noem je daar op. Denk je dat je als gamer ook aan het schrijven was geslagen?
Ik vind het heel moeilijk mezelf als gamer voor te stellen. Ik heb lucht en zintuiglijke prikkels nodig om te kunnen functioneren. Als er niks te ruiken of aan te raken valt, verlies ik mijn energie.

Wat doet een stad als Amsterdam (je huidige woonplaats) met je?
Ondanks de slechte luchtkwaliteit en de drukte ben ik elke ochtend gelukkig als ik me realiseer waar ik woon. Ik hou heel erg veel van oude gebouwen – serieus, als ik oude grachtenpanden bezoek word ik heel uitgelaten. Ik heb drie keer gesolliciteerd naar een appartement in het Witsenhuis, het voormalige huis van schilder Willem Witsen waar nu schrijvers wonen, en ik vind het fantastisch dat ik daar nu vijf jaar mag verblijven. Omdat ik mijn vorige huis, een woongroep, uit moest had ik in 2020 een halfjaar geen ‘thuis’. Ik had de hoop op een plek in Amsterdam al opgegeven, dus het voelt heel bijzonder dat ik hier toch kan wonen. Nou ja, voorlopig dan!

Uit datzelfde interview haal ik dat je eerste gedicht Denkend aan Holland was van Marsman en dat je op jonge leeftijd geraakt werd door de melodie van die woorden. Het leek je de hoogste kunst. Dat betekent ook dat je de lat voor jezelf meteen hoog legt. Bij proza was dat minder hoog dan bij poëzie. Hoe ging je te werk?
Ik ben gedichten gaan schrijven omdat ik poëzie een geweldige kunstvorm vond. Ik ontdekte het zelf: toen ik een jaar of vijftien was, las ik een boekje over poëzie van de Vlaamse professor Hugo Brems dat in de schoolbieb stond, en ook de bloemlezing Domweg gelukkig in de Dapperstraat. Vooral de avant-garde sprak me aan, dus als scholier probeerde ik à la Van Ostaijen te dichten en tijdens mijn studie Nederlands schreef ik gedichten die erg om taalspel draaiden. Ik wilde graag promoveren, maar er waren geen aio-plaatsen in mijn studiestad Groningen na mijn afstuderen. Toen las ik in de krant dat de Rietveld met een schrijfopleiding wilde beginnen. Daar werd ik toegelaten en wat volgde was een heel bepalend jaar. Ik vond het heel heftig dat mijn werk door de hele klas dagelijks becommentarieerd werd en ik was er misschien ook wel te jong voor, in elk geval de op een na jongste van de klas. Aan het einde van het jaar was mijn creativiteit stuk en stopte ik met dichten. Ook met die studie. Maar ik moest toch iets máken, dus begon ik verhalen te schrijven. Terwijl ik altijd had gedacht dat dat niks voor mij was. Ik weet niets over verteltheorie, tijdens mijn studie heb ik vooral poëzievakken gevolgd. Maar tien jaar later debuteerde ik met een roman, misschien juist wel omdat ik destijds vrij durfde te schrijven en geen opvattingen had over hoe een roman moest zijn. Maar in de poëzie voel ik me nu ook vrij hoor, de tijd heeft de wonden grotendeels geheeld.

Hoewel je heel serieus was en bent, heb je iets van een meisje in je gehouden dat verwonderd en blij de wijde wereld in kijkt. Dit is als compliment bedoeld. Hoe houd je de balans?
Het is dat kind in je waar de creativiteit vandaan komt, toch? Dus zorg ik goed voor dat deel van mezelf. Ik koop allerlei dingen die ik als kind leuk vond en ga vaak neuzen in kringloopwinkels bij oude kinderboeken en speelgoed. Ik heb dat verwonderde meisje trouwens niet in mezelf gehouden, maar teruggevonden. Ik was mijn levensvreugde totaal kwijt als ongelukkige leraar Nederlands uit Almere. Mijn toenmalige relatie was erg zwaar door de gemoedschommelingen waarmee mijn ex kampte en op een ochtend dacht ik: wie ís die zure vrouw die ik ben geworden? Ik was toen iets van negenentwintig en zo teleurgesteld in het leven dat het allemaal niet veel somberder meer kon. Dat was een keerpunt. Toen ben ik bewust op zoek gegaan naar de dingen die me blij maken. Ik heb de verwonderde blik nodig om te ervaren dat het leven zinvol is.

Speelt toeval nog een rol? In je werk, je kontakten, je succes?
Ik geloof helemaal niet in toeval! Ik zie overal magie in. Ik heb veel fantasie hè…

Je wilde vanaf je jeugd al dichter worden en debuteerde in 2013 met een roman, Zeven pogingen om een geliefde te wekken, waarvoor je een Bronzen Uil kreeg. Je moeder had zich dus nooit zorgen hoeven maken.
Sterker nog, uit het radio-interview blijkt dat ze je veel heeft voorgelezen en dus de basis heeft gelegd. Je zegt daar dat poëzie tussen schilderkunst en muziek instaat en daarom je voorkeur heeft. Schrijf je nog steeds ‘hardop’?
Ja, het ritme en de klank zijn belangrijk. En ik schrijf altijd eerst met potlood een heel blad vol losse regels en probeersels, en ga daarna de mooiste passages uittypen.

Wat wil je vooral laten zien of bereiken? Schrijf je met de lezer in gedachten?
Ik wil eigenlijk gewoon iets moois maken en de dingen die ik ten diepste belangrijk vind of ervaar uitdrukken in kunst. Mijn recente bundel Fantasii schreef ik na een soort crisis waarin ik vaak bizarre dromen had en tegelijk veel fysieke klachten. Toen die periode van negen maanden voorbij was, schrok ik ervan hoe erg het eigenlijk was geweest en hoe dicht ik langs de afgrond gescheurd was. In drie maanden tijd schreef ik toen veertig gedichten om in het reine te komen met mijn ervaringen en om mezelf te repareren. Een innerlijke noodzaak dus.
Toch hoop ik wel dat de gedichten die uiteindelijk samen de bundel gevormd hebben, lezers raken, inspireren of verrassen. Voor mijzelf zit de verrassing in een mooie metafoor of onverwachte woordcombinatie, als ik al schrijvend op zoiets kom, dan ben ik zó gelukkig.

Drie gedichten uit Fantasii (De Arbeiderspers, 2021)


Magic tape

Ik was verdwenen in een witregel
en vond mezelf doorgestreept, onleesbaar terug.

Ik streek mijn verfrommelde verbeelding glad, dichtte
de grootste scheuren in mijn binnenste. Met magic tape
plakte ik losse stukken aan elkaar. Je ziet er niets van.

Grijze krassen gumde ik uit, ik floot naar mijn kleuren:
het oranje dat ʼs ochtends vroeg in mijn hoofd hangt,
het geel waarvan ik drink, het onontkoombare rood.

Ik zocht net zo lang tot ik de letters van mijn naam weer had.
Memoblaadjes begonnen in mij neer te sneeuwen.

Wat stuk is schrijf ik heel, wat weg is schrijf ik terug.
Met het woord ʽademʼ adem ik op.





Yin

Ik zeg het maar meteen: er zal niets gebeuren in dit gedicht.
Ik ga een beetje mijmeren over vrouwen in de letteren, vroeger en nu.

De wens om mee te doen met een spel, zonder de regels te snappen.
Zwarte wolken vanwege deuren die gesloten bleven.

Iets intelligents hoef je van mij niet te verwachten, een opinie
die krantenpagina’s laat sidderen of een zin waarvan je denkt:

dat ze dát durft op te schrijven! Niks geen metaforen die in zelfgebouwde
vliegtuigen naar de overkant van de bladspiegel vliegen, nee,

het zal allemaal schaamteloos braaf zijn.
En om er nog een schepje bovenop te doen zal ik nu romantische klanken

laten horen, een strik om mijn woorden binden, het allemaal zo
emotioneel en roze en yin maken dat je er agressief van wordt.

Op deze bladzijde mag alles wat niet mag. Hier breng ik de eeuwen
in evenwicht. Want ze moest haar haar afknippen om mee te mogen doen.

Ze moest een mannennaam aannemen. Ze moest broeken dragen en nog
was het niet genoeg. Eén slecht vers en ze stond weer buiten.

Ze moest haar gedachten drillen, haar innerlijk oververven, de wetten
van yang diep inprenten. Voortaan zou ze schrijven op schuurpapier.





Onder de sterren

Zeesterren hoeven niet te paren. Ze spuiten zaad en eicellen in het water
en laten die elkaar vinden. Soms kruipt er toch een zeester

op een soortgenoot. Haar vijf armen glijden tussen de vijf armen
van de ander en zo liggen ze op de zeebodem: een tienarmige zon

in het donker. Mensen paren wat af. Niet vanwege de voortplanting,
we willen versmelten tot een gloeiende gasbol in de nacht.

Als we de hand van onze geliefde zoeken, vijf vingers tussen vijf vingers
laten glijden, wanen we ons soms een duiker in het licht.

 

 

Geplaatst in Interviews.