Tomas Lieske – Het spettert geluk

Gesprek op een goede visstek

door Peter Vermaat




‘Je mot de raudvleugelbiffâhs neime, JC,’ zegt Bitter als hij zijn hengel voor de derde keer uitwerpt.
‘Die zèn bè dit weâh nie te auvâhtreffûh.’
‘Kom ons praat nie nou oor letterkunde nie, Bitter.
Die voordeel van ‘n goeie visvangplek is dat jy die sogenaamde beskawing vir ‘n paar uur uit jou gedagtes kan hou.’
‘En ùit je neus’, roept Bitter.
‘Veral uit my ore. Maar jou plig sal weer roep.’

Alsof Klauwhamer niets gezegd heeft, begint Bitter verslag te doen van zijn meest recente leeservaring.
‘Ik ben bezag met de bundel Ut spetteg geluk van Tomas Lieske. Ut gaat auvâh un schip dat un ondâhzeeër blijk te zèn. Ut leg in de Sène en de kapitèn wil ut naah Kolchis brenge, maah omdat de stuâhman ut nie goed doâhhep, laup ut ding innun handomdraaie op hondâhdveâhtag meitâh diepte vas. Ut schip heit de Arc en d’r zèn allerlè ongereigels an boâhd, met schènbaah beteikenisvolle name as Arabia Felix, Mercie Mercie, Suwa Veicitau, Imkâh Graat, Damn Gaud Memory, Heâhkule, Mossie en Farao. Trâhwes, de kapitèn heit Ketau Stiefkommando en hè is op zoek naah zèn dochtâh. De bundel issun mengellemoes van tauneil, prauza en poëzie, waahvan de laatste smaak bèna altèd gewèd is an museumstukke ùit ut Louvre, zauas deize op pagina’s 89/90 :

YouYou et son épouse Tiy

Even groot en liefdevol verstrengeld hand in hand met de blik
naar het oneindig land achter de zee en daar werk te vinden.

Onoverbrugbaar breed vloeit de rivier naar de kust treurend
over het verraad de moordlust en de hebzucht langs de oevers.

Hoe aan de overkant een gebied te vinden waar alle zonen
van de zon kunnen schijnen en hier is in elk geval Osiris

die verderop wordt weggehoond en YouYou kan wel beweren
dat hij het zilverhuis bewaakt maar dan zal men hem dwingen

alle geheimen te openbaren al het zilver aan te wijzen
elke pennenstreek te betalen tot hij niets meer zal bezitten.

YouYou is bang de rivier kan onmogelijk keren zijn épouse Tiy
duwt hem de aanlegsteiger op. Hij voelt Osiris vlieden.

Hij weet dat vraatzuchtige sprinkhanen de hemel bewonen
dat spinnen een verwaaide staatsietrap naar de ingang weven.

Hieâh maak de dichtâh un fâht, want Tiy was nie de vrâh van YâhYâh of Joeja, maah zèn dochtâh. Tiy trâhwe met Amehauteppie III en wegd de moedâhr van de kettâh Achnaton.’

Vrijwel tegelijkertijd wordt er aan de dobbers van Bitter en Klauwhamer getrokken en ze beginnen te roepen dat ze beet hebben. Uit het modderige water duiken eerst de bovenlichamen van twee kerels op, die als twee druppels op elkaar lijken. Op enige afstand achter hen komen twee prachtige vrouwen boven, die echter bijna preuts niet meer dan hun naakte schouders tonen aan de vissende dichters.
Kastor en Poludeukes (in koor): ‘οι φάλαινες δεν είναι ψάρια!’
Helena en Klutaimnestra (eveneens in koor): ‘почему моржа не называют морской русью?’
Bitter en Klauwhamer (door elkaar, maar luid genoeg om te verstaan): ‘prendam te tamen et tenebo prensum totamque hanc sine fraude, quantacumque est, tormento citharaque tensiorem ad costam tibi septimam recondam!’
Helena en Klutaimnestra gillen en duiken snel onder, mopperend gevolgd door de Dioskouren.

‘Jy het vertel, Bitter.’
‘Klop. Tiy is auk de naam van Ketau’s dochtâh. Ze vedwein op onveklaahbare wèze en hè rèsde tot in Nigâh om haah te zoekûh. Innut Derde Bedrèf wogt auvâh haah veiteld dat ze erreges in Libië wogt vekrach doâh un centâhr en dat ze vevolleges praubeâht haah zwangâhschap te beëindege met ut gif van un schorrepioen. De heile bundel staat vol vewèzinge naah van alles en nog wat. De Arc vewès zauwel naah de Ark van Noach as naah de Argo van Jason, warop naas Heâhacles auk de dichtâh Orpheus voeâh naah – je raad ut al – Kolchis. Maah waah de Argo ut Gulde Vlies bùitmaakte in Kolchis, zak deize Arc weg in de diepste lage van Parès, waahbè je un blik krèg doâh de patrèspogte op allerlè agtefakte ùit ut veleije van de stad, om annut ènde van de bundel op un deus ex machina-manieâh los te kaume en zèn lading vannut Parèse zautsje ongereigeld weâh ùit te spuwe, zauas de Epilaug op pagina 90 beschrèf:

Imker Graat: En daar gaan we dan. Met onze ontstoken poten. Met de fles nog tegen ons aan gedrukt. Struikelend, hardop wartaal kletsend, sommigen met hun hele bezit op een winkelwagen gebonden. De Eiffeltorens, de Afrikaanse beesten, de namaaktassen, de paraplu’s in een doek geknoopt. De aanstekers, de balpennen, het apparaat om te plastificeren op karton geboden. Een paar vrouwen zoeken elkaar op en besluiten hun stoep bij de kledingwinkel te verdedigen. Iedereen wringt zich door het smalle luik dat eindelijk weer open kan. Elkaar helpen op de plank die van de metalen boot naar de kade reikt. Iemand probeert een zwarte vlek die hen hinderlijk volgt weg te slaan. Boven bij de bouquinistes nog wat rotzooi trappen en dan de straat proberen over te steken. Tussen de padvarke in auto’s en op motoren door. Sommigen lopen nog in hun ondergoed. Een slimmerd heeft een Egyptisch beeld uit het Louvre meegenomen. En ik? Gehoorzaam aan Keto wend ik mij tot de vossen.

Dit is ut derde deil vannut drielùik dat in 2016 met Daedaleija wegd begonne en in 2019 met Ketau Stiefkommando wegd vogtgezet. Auk in die bundels bùiteile de eilemente ùit de – voâhal Westegse – kultuâhgeschiedenis auvâh elkaah hein, wat de besprekâhs destèds voâhnamelijk tot bewondâhing bewaug, met name auvâh hoe Lieske ut allemaal bè elkaah vezint. Zauas ik ut bè ut leize ervare hep is ut voâhnamelijk gewild en nerreges ech naudzakelijk. Wie ab urbe kondita ken plaatse naas Μῆνιν ἄειδε θεὰ Πηληϊάδεω Ἀχιλῆος en daahbè Bach of Quod nulla umquwam bella ita gesta sint, ut viktores prauptâh deos eorum, quos vicerunt, parcerent viktis nie veigeit, luk ut vrè einvâhdag om un kompendium te make van wat jè lèk te weite en je leizâhs zâhwe motte weite om je te kenne vollegûh. Maah wogt ut daahmei poëzie of – nog basalâh – kuns? Hoe virtewaus de taal auk zèn mag – mè zul je auveriges nie tot de bewondâhaahs daahvan kenne reikene – ut volleprauppe van un teks met vewèzinge naah andere tekste – en ik hep dat nâh al gedaan JC, voâh jâh as goed verstaandâh un peuleschil – ondâh de streip telt voâh mè as leizâh de suggessie, de vebeilding die mè ondâh de woâhde of d’r bauvenùit toevalt, de muziek die ik innut leize beleif. Ik hep die ùitslùited ervare innut slotgedich:

Gebed tot de vossen

Rekelse roodbruine jagers op de grens van beschaving en natuur
jullie beet is roestig ijzer jullie woning een middeleeuwse roofburcht

Licht is jullie dansante pas jullie zijn de kleuren in wilde tuinen
waar alles dooreen groeit aales druipt van vermiljoen en smaragd.

Waat het katijft en verbast en verbladert en lupijnt waar alles
twijgt en verpluist waar het onophoudelijk kruit van licht vosgeluk.

Vrouwe vos moederste van alle dieren wees ons een voorbeeld
leer ons geduld en waakzaamheid in magere tijd behagen.

Leer ons de kleinen lief te hebben te zogen te drenken te stutten
bemesten begieten verpakken in vloeibladen bloeiende poëzie.

Leer ons hunkeren naar uw lusthof waar de duistere ingang
bedekt wordt door scrupuleus groen waar de amoureuze

takken met doorns en met eigendunkelijk opstandgroei
de poederbestoven bollen van welpenbont omhelzen.

Hieâh zèn de vewèzinge naah Van de vos Reynaerde un knipaug die fungeâht as toegif, maah die ut geheil iet hoef te dragûh. Dat doet namelijk de taal zelluf, waarin de klank de bauventaun voeâht en ut Middelneidâhlandse ‘katèf’ of de metaunimia ‘amâhreuze / takke met doâhns’ (ein raus) ut gedich un diepere dimensie geif. Je vraagt je enkelt af warom ut tot de allerlaatste bladzède van de bundel mot dure voâh je werrekelijke poézie voâh je kieze krèg.’

Klauwhamer zegt: ‘En hulle het beraadslaag of hulle ‘n skuit vir die boodskappers moes uitsteek, maar hulle het saam met hom na die wal gehardloop en in die wynmakery van Tiberius ingegaan, waar hulle nie gepraat of laat praat het nie. Maar hulle het des te meer wyn geneem en gesluk, sodat die wyn uiteindelik opraak. En die skare het drie dae en drie nagte buite die deur gewag, want dit was gesluit, en die sleutel kon in geen van hulle gevind word nie. Nou, op die derde dag, toe die son hoog in die lug opgekom en hulle koppe verbrand het, het ‘n stem uitgeroep: Na jou tente, Israel! en hulle het so gedoen. En niemand was verwonderd oor hierdie stem nie, want hulle kele was droog, hulle monde dors en hulle oë swaar van die slaap, en hulle het groot hoeveelhede water geneem en geslaap tot die môre van die derde dag.’
‘Wat ben je weâh breidsprakag, JC.’
‘Dit spat.’
‘Geluk duâht nauit lang.’

Egileak esker onez baliatu ditu Virgilio, Homero, Martialis, Philostratos, Keats eta Peter Gabrielen lanak, baita Google Translate eta Harriepad-en zerbitzuak ere artikulu honetarako.
____

Tomas Lieske (2021). Het spettert geluk. Querido, 96 blz. € 16,99 ISBN 9789021433073

Geplaatst in Recensies.