Wandeltocht met mijn broer

door Jan Loogman

‘Kunst en poëzie zijn manieren om vrienden te maken,’ zegt Ramsey Nasr in de Poëziekrant die ik bij het ontbijt lees. Ja, denk ik, en er zijn nog wel andere manieren ook. En is het meteen vriendschap als een mens dankzij kunst of poëzie verbinding vindt met een ander?  Het zijn geen wereldschokkende gedachten maar ze helpen mij om geheel open voor verbinding in de trein te stappen. Nee, nog niet; ik wil nog een podcast beluisteren en zet een koptelefoon op. Drie kwartier lang houden Jetty Mathurin en René Diekstra mijn aandacht vast. Ze praten over terugblikken op het eigen leven en hoe waardevol het is zo’n terugblik met anderen te delen. Hun woorden maken mij een treinreis lang onbereikbaar voor anderen maar als ik even na half elf het perron opstap, ben ik volledig uitgerust om verbinding met de ander aan te gaan.

Aan de achterkant van het treinstation tref ik mijn broer. In gedachten heeft hij onze wandeling van vandaag al gemaakt. Er zijn voldoende koffiepunten voorzien. We beginnen kalm. Later zal hij in zijn column op maxvandaag.nl schrijven over ‘een tintelfrisse ochtend’ en daarom verstevigen wij al gauw onze pas. In ons gesprek proberen wij de stand van elkaars leven op te maken. Dat is niet zo eenvoudig: ‘hoe het mij gaat? / ik bied je mijn verontschuldiging aan / want kijk: // de huizen ontvangen hun warmte / van de zon / en het water lacht / de bomen fluisteren elkaar / geheimen toe // zo zie je // voorlopig moet dit mijn antwoord zijn’  We vertellen elkaar over onze bezigheden, onze vrouwen en kinderen. Al te veel stilstaan doen we niet. Immers: ‘Zolang een vlerkgespreide leeuwerik blijft zingen / vergeeft zijn God ons al wat wij begingen / zolang we kersebomen zacht in bloei zien staan / dan hebben wij nog niemand kwaad gedaan.’ We zwijgen. Mijn broer bewondert de zee van sneeuwklokjes.

We verlaten de duinen en wandelen met de wind in het gezicht over het strand van onze jeugd. We zeggen woorden die tussen ons betekenis hebben: Paviljoen Riche, tante Cor, huisje 26, de witte benen van papa. Hoeveel zomerse zondagen hebben wij hier doorgebracht? ‘Wij leven ’t heerlikst in ons verst verleden,’ dichtte Du Perron. Het absolute van deze regel vinden we onzin. Wie terugkijkt naar zijn jeugd komt van alles tegen: ‘ik was acht en barones / belde met een oranje / telefoontje naar god // mijn vader stond in de tuin / te schreeuwen naar de wolken / ik tikte op het raam en riep / dat god verdomme niet thuis was…’ Er zijn mooie herinneringen en ook minder mooie. Bovendien is er meer dan het verleden. Zoals we op de terugweg van het strand met elkaar zongen: ‘En we gaan nog niet naar huis / Nog lange niet, nog lange niet…’

We zoeken het treinstation van Zandvoort op. De Kiosk heeft slechts één Gevulde Koek in de aanbieding en die gun ik aan mijn broer. Hij kijkt mij blij aan. Niet alleen kunst en poëzie bieden een route naar andermans hart.

 

Citaten van achtereenvolgens Jozef Eijckmans, Leo Vroman, E. du Perron, Johanna Geels, anoniem kinderlied.

Foto’s:
1) https://pixabay.com/nl/
2) www.zandvoortvroeger.nl
3) www.bakkerammerlaan.nl

Geplaatst in Column.