Anne van Amstel – Trapezista

Ook een trapezista heeft geen vangnet

door Hans Puper




Trapezista, de nieuwe bundel van Anne van Amstel, draait om de medewerkers van circus Perma en een beer, met een trapezewerkster in het middelpunt: zij is degene die in de ik-vorm haar verhaal doet. De bundel is hecht gecomponeerd en Van Amstel laat op een overtuigende manier het algemene in het bijzondere zien: de behoefte aan liefde en de angst afgewezen te worden als je dat uit.
Tijdens haar act in de nok van de circustent, met de schijnwerpers op haar gericht, lijkt de trapezista ongenaakbaar te zijn, wat nog wordt versterkt door haar glamoureuze outfit, die ‘is gemaakt / van pauwenveren / kijk maar je moet wel / honderd ogen zien’ (p. 18). Ze houdt het publiek in spanning doordat ze geen vangnet heeft. ‘Nous voulons de la vie au théâtre / et du théâtre dans la vie’, luidt het motto van de bundel. Het is van Jules Renard. Beide krijgen we tijdens de voorstelling en in het circusleven daaromheen ruimschoots te zien.
Zonder pantser is ze weerloos: ‘als een o zo voorzichtig / uit haar exoskelet getrokken garnaal / lig ik alweer op deze stoel te drillen’ (p. 33). Dat denkt ze in de tandartsstoel van een van haar minnaars, die tevens arts en dierenarts is. Ze wil ‘aan [haar] lichaam denken zoals / de handen van de tandarts het omvatten’.
Als je zo intiem met iemand omgaat, heeft een pantser van ongenaakbaarheid geen enkele zin meer, zoals we zien in het titelloze gedicht op p. 34:

ik wil niet dat je nog komt kijken
naar mijn act ik hang daar
te naakt onder de ogen
van mijn rijke pluimage
nu jouw toegewijde handen
mijn binnenlichaam kennen
de karteltjes van mijn tanden

nu mijn pantser afgepeld
ik geen lucht meer krijg

Haar relatie met de directeur (‘le patron’), haar grote liefde, is tot haar verdriet uitsluitend seksueel. Hij kan of wil haar liefde niet beantwoorden, wat op een wrang-humoristische manier blijkt uit de laatste regel van het gedicht ‘Echt’ (p. 13), hoewel je op dat moment van hun relatie nog niets weet, dat blijkt pas uit een tweede lezing. De eerste regel luidt: ‘alles hier is echt niet zoals in de film’. Ze geeft hiervan voorbeelden, zoals dat over de dompteur die zijn hoofd echt in de muil van een leeuw steekt en de messenwerper die zonder enig vertoon zijn best doet om geen slagaders te raken. De laatste regel luidt: ‘en ik trapezista kan doodvallen’. Er zijn meer elementen die je pas echt opvallen bij tweede lezing en de samenhang nog eens versterken. Mooi.
Aan het slot lijkt de trapezista zich te verzoenen met haar lot. Het laatste gedicht:

oké laat mij maar
gewoon zweven
woon jij bij mij
dan leef ik dus
kom me bezoeken
tot ik val het doek
valt bis bis alleen
zo doe ik mee

(p. 58)

Ontroerend is de rol van de circusbeer. Hij is ontroostbaar, omdat zijn geliefde berin na een ongeluk met een nekschot is afgemaakt. Door de tandarts, ‘man van het kleine gebaar / die een kogel in zo’n kop jaagt’. De trapezista vereenzelvigt zich met haar: ze laat de beer een rondje fietsen (een van zijn voormalige acts in het circus) en gaat zelf achterop zitten – ‘vroeger zat zijn berin op mijn plek / het gelukkigste paar van het circus’ (p. 14).

De vorm is onopvallend, maar doordacht, zie bijvoorbeeld het enjambement in de eerder geciteerde regels over haar bijzondere outfit: ‘kijk maar je moet wel / honderd ogen zien.’ Je móet wel kijken, zo bijzonder is die pluimage’, lees je eerst. En dan komt er een betekenis bij: ‘kijk maar, je zult minstens honderd ogen zien’. De stijl ondersteunt de onrust en jachtigheid van de hoofdpersoon: leestekens en hoofdletters ontbreken, regels worden vaak afgebroken op plaatsen waar je die niet verwacht en het ritme, opgeroepen met klemtonen, alliteratie en binnenrijm, varieert.
Haar beelden zijn sterk. In het eerste gedicht, ‘Circus Perma’, wordt al duidelijk dat seksualiteit een belangrijk thema is in de bundel. Het circus wordt beschreven vanuit de lucht:

een dronefoto toont
de caravans en kooien
van onze troep
staartloze zaadjes
aan banden gelegd
rond een grijs-rode eicel

En lees je de titel van het gedicht hardop, dan is de associatie met sperma snel gelegd. (Ik heb nog even opgezocht of ‘Perma’ een betekenis heeft die ik niet ken. Het blijkt een acroniem te zijn van Positive emotion, Engagement, Relations, Meaning en Achievement, de basisvoorwaarden voor geluk en welzijn, aldus Martin Seligman, de grondlegger van de ‘positieve psychologie’ – bestaat er ook een negatieve? Zou Anne van Amstel dit ook zo hebben bedoeld? Ze is tenslotte psycholoog, zoals staat te lezen op het achterplat. Hoe dan ook: het is een grappig ironisch knipoogje naar de werkelijke toestand waarin de trapezista zich bevindt.)

De dichter gebruikt regelmatig een paradox, iets wat goed past bij de gemoedstoestand van de trapezista. Een afscheid dat tegelijkertijd een mooi begin kan zijn, bijvoorbeeld: ‘het feest / waarop je me begroette / met een afscheid dag mooie vrouw / dag diep in de nacht’ (p. 42) of: ‘je wilde me aanraken elke keer / dat je me zag en daarom misschien / wil je me niet meer zien’. Deze strofe uit ‘Minnedichten’ (p. 56) wordt gevolgd door een mooie verbeelding van een droom die niet is uitgekomen:

ik zet de muziek zachter
met het oog op de buren
die ik bij jou niet zou hebben gehad
these arms of mine ons lijflied
dat ik nooit met je gedeeld heb

Van Amstel weet de zware kanten van de bundel gedoseerd te verlichten met humor. Een mooi voorbeeld is een zesregelig gedicht, waarin de tandarts wordt geïntroduceerd, de trapezista terloops een afspraak probeert te maken en een letterlijk vertaalde Engelse uitdrukking gebruikt – dat laatste is wat melig. Er zijn tandartsen die goed op hun winkel passen:

wist je dat de suikerspin
is bedacht door een tandarts?

heb je bij de weg nog
een gaatje voor mij?

als ik lig ben ik het liefst
een dier dus dat treft

(p. 12)

In het laatste distichon zie je weer zo’n mooi enjambement dat een dubbele betekenis oproept en een belangrijk motief in de bundel aangeeft: de rol van de seksualiteit, waarin mensen dieren onder de dieren zijn – en dat bevalt haar. Dat komt goed uit, grijns je als lezer bij tweede lezing: de tandarts blijkt ook dierenarts te zijn. De plaats van dit gedicht is weloverwogen. In het eerste gedicht van de bundel wordt de ontroostbare beer geïntroduceerd (met wiens berin de ik zich vereenzelvigt), de twee gedichten daarna gaan over de suikerspinnen die bezoekers voorafgaand aan de voorstelling kopen en dan komt het bovenstaande gedicht.

Al met als een sterke bundel. Het verbaasde me daarom een gedicht aan te treffen dat uit de toon valt, voor mij althans. Het gaat om een drieregelig, opnieuw titelloos gedicht:

schrik maar niet schat
gedichten schuren nu eenmaal
als zand in je brood op het strand

(p. 44)

Het lijkt me niet dat zand schuurt in je mond. Zand in je zwemkleding schuurt, in je mond knarst het. Maar ik val met name over het woord ‘schuren’ zelf: dat is een modewoord geworden dat door het onmatige gebruik nauwelijks nog iets betekent.

Het geeft niet. Zo’n gedicht laat de andere des te beter uitkomen.

____

Anne van Amstel (2022). Trapezista, Nieuw Amsterdam, 61 blz. € 20,99. ISBN 9789046829653

Geplaatst in Recensies.