Klaartje Van Camp

Klaartje Van Camp (17) houdt ervan een surrealistische sfeer te scheppen in poëzie. Meestal probeert zij in het schrijven met een andere blik naar dagelijkse dingen te kijken.

foto (c) Sara Verbaenen

 

Hoe steel je iemands hart

Week tien hommels en vijf orchideeën in zuur augurkensap.

Plet sinaasappel en oranjebloesem tot een groene brij. Laat staan tot het bruine randen heeft.

Pers zoet sap uit je keel. Meng met de afgegoten orchideeblaadjes, de hommels en de brij.
Roer niet te snel. Overhaast niet.

Laat een nachtje pruttelen. Luister naar de pan, vraag je af wanneer het gaar is.

Drink het goedje langzaam op. Je stem klinkt melig hees nu. Lik de resten van je lippen,
anders schrikt het af.

Adem op de schouder. Draai het hoofd naar je toe. Leg je hand op de plek waar het hart zou
moeten zitten. Klauw je vingertoppen in de huid en trek. Rustig en beheerst.
Neem keukenpapier en veeg je vingers af. Werk hygiënisch a.u.b.

Aai de beroofde over zijn bol. Dat heeft hij wel verdiend.
Vertrek met stevige tred en kijk niet om.


*Zie ook ‘Hoe organen bewaren’ (blz. 10) en ‘Hoe organen inplanten.’ (blz. 12)
Iets groots

Ik zou het bijvoorbeeld kunnen opgeven.
De wolfsmelk van mijn vingers pellen,
gaan zitten en zeggen dat ik het opgeef.

De man met het zwarte defensie-koffertje geeft me gelijk.
Hij zit, zucht, zegt ‘Ik geef het op.’

Ik zou jou bijvoorbeeld kunnen opgeven.
Je omvormen tot een minuscuul kubusblokje
dat ik overhevel naar mijn andere hersenhelft.
Die waar mijn sleutel en andere voorwerpen liggen.

Een vrouw vergat dingen, mensen en uiteindelijk zichzelf.
Ze klopt voortdurend met harde hand op het hoofd,
alsof ze op zoek is naar de naad van een te kraken noot.
‘Ik ben wat vergeten, ik weet alleen niet wat. Er moet iets zijn wat ik vergat.’

Ik ben op consultatie bij de dokter. Ik ril van het ijzeren ligbed.
Hij trekt mijn ingevallen wangen open. Laat mijn slappe arm tien keer vallen.
Kijkt in mijn diepliggende ogen.
‘Probeer te stoppen met je slaapprobleem.’, zegt hij.
‘Vermijd denken. En blijf hopen, blijf vooral hopen. Hoop doet leven.’

Ik pak het voorschrift aan en wandel naar de apotheek.
Ik voel een stekende pijn in mijn linkerhersenhelft.
Iets groots is overgeheveld.
Stratenplan

Betonnen supermarktbloemen, verlaten winkelkarretjes. Een man met roestige cymbalen zal de
komst van God aankondigen. Roepen dat je God al kent. Schuin en dartelend oversteken.

Om de hoek zal een bende naarstige oudjes zitten. Negeer hen als ze je aanspreken. Ze willen je
verdriet omarmen, het inpakken en verkopen aan toeristen. Draai af, stil doch standvastig.

De openbare weg. Er zal een kinderhand blokkentorens bouwen van vergeten oorlogsresten.
Soldaten zullen zuchten op het ritme van je straatadem. Er zullen dode vogels over stalen stangen
hangen. Maak oogcontact met niemand. Houd je hoofd naar de grond gericht terwijl je scherp en
vluchtig oversteekt. Links afslaan hier.

Bouwvakkers zullen hun behoefte doen op straat en metalen pinnen lassen. Niet schrikken, ze zijn ongevaarlijk.
Nu nog even lopen. Stop aan de marineblauwe deur. Inhaleer diep. Klop, bel, kras aan. Zeg driemaal
‘Ik ben het.’

‘Jij… eindelijk’
Geplaatst in Gedichten.