‘ik wou het heelemaal zeggen – / Maar ik kan het toch niet zeggen.’

door Hans Puper

Er wordt de laatste paar jaar weer opvallend veel gesproken en geschreven over ‘het onzegbare’ en wel op een manier of het om iets vanzelfsprekends gaat. Poëzie en muziek zouden bij uitstek geschikt zijn om het voelbaar te maken; niet voor niets worden klank en ritme in poëzie benadrukt. Meestal wordt dat onzegbare in verband gebracht met metafysica of, in mindere mate, het sublieme: een huiveringwekkende schoonheidservaring die zich niet in woorden laat vertalen. Maar je kunt er ook op een aardser manier naar kijken: het is in de eerste plaats de ontoereikendheid van de taal zelf die onzegbaarheid veroorzaakt, iets wat we ook in het dagelijks leven ervaren: ‘Ik heb daar geen woorden voor’, ‘hij ervaart een onuitsprekelijk verdriet’, ‘Dat kun je niet uitleggen, dat moet je aanvoelen.’ Weliswaar komt de een makkelijker uit zijn woorden dan de ander en is niet iedere dichter even vaardig, maar taal is nu eenmaal een gebrekkig middel om de werkelijkheid te beschrijven. Een woord valt niet samen met datgene waarnaar het verwijst, net zomin als de afbeelding van de pijp van Magritte een pijp is: het is immers een schilderij. En waarom raakt ‘Het regent en het is november’ me wel en ‘Het is november en het regent’ niet? Ze betekenen hetzelfde en tegelijkertijd ook niet, gezien mijn verschillende reacties. Ik kan er wel íets over zeggen, maar niet alles. En waarom ervaar ik het prachtige as iis de sinne[i] van Tsjêbbe Hettinga heel anders in het Fries dan in de letterlijke vertaling in het Nederlands door Benno Bernard en Hettinga zelf? Ze beschrijven beide exact dezelfde werkelijkheid, maar dat voelt niet zo. Ervaar het zelf. Gaat de taal met je op de loop en is de werkelijkheid onzegbaar?

as it iis de sinne
net mear drage kin
en de reager
wer
op ien poat stiet
eagjend nei de útsliepte kikkerts
(griene keningen fan de tsjokke knip)
dan
falt it skaad
fan de nije maitiid
al yn it spoar
nei de simmer
als het ijs de zon
niet meer dragen kan
en de reiger
weer
op één poot staat
te ogen naar de uitgeslapen kikkers
(groene koningen van de taaie klei)
dan
valt de schaduw
van de nieuwe lente
al in het spoor
naar de zomer

Anneke Brassinga zei iets moois over vertalen en de gebrekkigheid van taal[ii]:
‘[Een vertaling] is een echo van het origineel. Het voegt iets toe aan de algemene taalruimte, zegt Walter Benjamin. Ik vind dat een geweldig leuke gedachte. Het is natuurlijk een etherische gedachte dat de volmaakte taal bestaat. Een taal die bestaat uit ons aller resonanties van de ene taal in de andere, en via de echo’s uit het verleden. Dat dat ooit de taal zal zijn waarin alles waar is, een werkelijkheid van wat nu nog scherven zijn, die gedachte vind ik een grote troost.’

Er is nog een manier om over onzegbaarheid te spreken, en dat zijn we terug bij de metafysica: de mysterieuze oorsprong van het gedicht. De Romanticus Bilderdijk beweerde dat hij zijn gedichten rechtstreeks kreeg ingefluisterd door God; hij hoefde alleen maar klaar te zitten met pen en papier. Later, toen onderzoekers zijn manuscripten onder ogen kregen, bleek hij zeer veel te hebben doorgehaald en verbeterd. Terecht, de dichter heeft het laatste woord, zijn naam komt tenslotte op het omslag te staan, nietwaar? Ook Kouwenaar ging in op de herkomst van poëzie en daarin kon de onzegbaarheid uiteraard niet ontbreken[iii].

De dichtkunst

De dichtkunst
het is nuttig daarover eens uit te weiden
zij blijft nieuws
niemand kent haar nog goed

waar komt zij vandaan?

het gevoel, roept de moeder. de broer broeder
beaamt het, zegt nog omfloerst
het onzegbare. de zus zuster
toetert maar zwijgt, spoelt
de ondersteek

men boert
dus het gevoel. boert opnieuw. zoekt
het vloeiblad. ziet
roestvlekken lijken. blijkbaar
iets met van die oude
gietijzeren stoelen. men gaat zitten, voelt
als een hoer
zich, een hoeder

Grappig, die eerste strofe, het lijkt wel het begin van een spreekbeurt door een middelbare scholier, die overigens helemaal gelijk zou hebben met zijn aansporing: zolang er poëzie verschijnt, moeten we erover praten, net als over het dagelijkse nieuws.
Mooi is de tegenstelling tussen het roepen over het gevoel en het omfloerst spreken over het onzegbare, waaruit eerbied en ontzag spreekt. En die broeder en zuster: een religieuze associatie ligt voor de hand. Omdat de rest van het gedicht zeer aards is, lijkt het me dat de dichter weinig opheeft met gevoel en onzegbaarheid als bron – het is zeer waarschijnlijk dat Kouwenaar die als romantische clichés beschouwde.
Waar komt een gedicht dan vandaan? De verhevenheid is ver te zoeken: de dichter boert het op – ik lees ‘men’ als de dichter als onderdeel van de groep dichters als geheel, een onpersoonlijk gemaakt ik. Als dat zo is, dan is het gedicht een inktvlek op het vloeiblad van het schrijfbureau en doet de lezer een Rorschachtest: eenieder ziet er het hare of zijne in. De dichter geeft eenieder wat hij of zij verlangt en daarom voelt hij zich een hoer. En hoeder. Van de dichtkunst?
Mooi zijn de enjambementen ‘zoekt – ziet – voelt’. Werkt het bij de dichter zo? Dan is het voelen een gevolg, geen oorsprong. Opvallend zijn al die oe-klanken: moeder, broer broeder, toetert, spoelt, boert, boert, zoekt, roestvlekken, voelt, hoer, hoeder. Oe-oe-oe-oertaal? Misschien komt de dichtkunst daar vandaan.

____

[i] Tsjêbbe Hettinga, Het vaderpaard, It faderpaard. Alle gedichten, p. 16-17.
[ii] Hester van Hasselt, Bianca Sistermans (2021). Een mogelijk begin van veel. 29 dichters een het werk, p. 78
[iii] Gerrit Kouwenaar, 100 gedichten, p. 65

Geplaatst in Column.