De favorieten van Paul Bezembinder

In de serie Favorieten van Meandermedewerkers de drie lievelingsgedichten van Paul Bezembinder. Hij koos voor Constantijn Huygens,  Piet Paaltjens en Albert Verwey en lichtte zijn keuze toe.

Aende Sneew

Droogh water, koele woll, witt roet, gehackte veeren,
Weest welkom boven op mijn besten hoed en kleeren,
Ick sie niet hoemen u met reden haten sou,
Die ons van boven brenght de Warmte met de kou.

Constantijn Huygens

Dit gedichtje is een van de vele pareltjes die in het werk van Constantijn Huygens te vinden zijn. Het is maar treurig dat wij in Nederland zó weinig aandacht voor ons literair verleden hebben dat de enige courante uitgave van zijn werk het Engelse A selection of the poems of sir Constantijn Huygens (1596-1687) lijkt te zijn – verder zijn we aangewezen op tweedehands uitgaven of pdf’jes van DBNL.

 

(Immortelle XXV)

Hoor ik op Sempre een waldhoorn,
Of ook wel een Turksche trom,
Dan moet ik zoo bitter weenen;
En – ik weet zelf niet waarom.

Vraagt een der werkende leden:
‘Hoe kan een Turksche trom
Of een waldhoorn u zoo roeren?’ –
Dan weet ik zelf niet waarom.

Is ‘t wijl in beter dagen
Een vriend de Turksche trom
Niet onverdienstlijk bespeelde?
Ach, ik weet zelf niet waarom.

Piet Paaltjens

Het werk van Piet Paaltjens (pseud. van François Haverschmidt) verdient het uit het hoofd geleerd te worden. De zelfgekozen dood van Haverschmidt maakt duidelijk dat zijn werk minder grappig is dan het in eerste instantie lijkt: van zijn gedichten is nooit helemaal duidelijk of zij nu parodie of bittere ernst zijn; zijn werk is tegelijkertijd humoristisch, schrijnend en desolaat. Ik koos voor deze ‘Immortelle’.

Stoa

Wie de slag van ‘t zwemmen en de kunst
Zich door golven te doen dragen leerde
Kreunt zich langer om ongunst noch gunst
Van ‘t getijde. ‘t Onvermijdbre zinken
Beangst hem niet. Het bitterste te drinken
Is aan ‘t eind misschien het dan begeerde.

Albert Verwey

foto (c) Biccie

Dit gedicht las ik voor het eerst als muurgedicht in Leiden, op het buitenterras van een net iets te chic restaurant waar ik mijn verjaardag vierde – en stilstond bij de vergankelijkheid. Parelende conversatie en bestekgeluid wisten mijn aandacht maar niet af te houden van dit gedicht, van het mooie gebruik van ‘noch’, van de versvorm die ik begreep maar toch niet pakken kon. En, zoals dat gaat: de verjaardag ging voorbij, het gedicht bleef.

Geplaatst in Gedichten.