Oud

door Karel Wasch

 

Slauerhoff in Portugal met baret, foto: Jens Oormets

Toen ik laatst met mijn geliefde een pannenkoek wilde eten bij een oeroud etablissement aan de rand van de stad lachte de ober mij toe: ‘Helaas, die hebben we al 30 jaar niet meer!’ Dat bracht mij op de gedachte dat ik oud begon te worden; dat blijkt uit meer, jammer genoeg!

Prachtige kroegen, mooie gebouwen, ze zijn verdwenen en –ik geef het toe- de humor van sommige cabaretiers stel ik niet meer op prijs. Iemand, die luid debiteert Maxima te willen neuken, is dat leuk?
Ik kom nog uit de tijd van Toon Hermans met: ‘Leg neer die bal!’

IN NEDERLAND . . .

In Nederland wil ik niet leven,
Men moet er steeds zijn lusten reven,
Ter wille van de goede buren,
Die gretig door elk gaatje gluren.
’k Ga liever leven in de steppen,
Waar men geen last heeft van zijn naasten:
Om ’t krijschen van mijn lust zal zich geen reiger reppen,
Geen vos zijn tred verhaasten.

In Nederland wil ik niet sterven,
En in de natte grond bederven
Waarop men nimmer heeft geleefd.
Dan blijf ik liever hunkrend zwerven
En kom terecht bij de nomaden.
Mijn landgenooten smaden mij: ‘Hij is mislukt.’
Ja, dat ik hen niet meer kon schaden,
Heeft mij in vrijheid nog te vaak bedrukt.

In Nederland wil ik niet leven,
Men moet er altijd naar iets streven,
Om ’t welzijn van zijn medemenschen denken.
In het geniep slechts mag men krenken,
Maar niet een facie ranslen dat het knalt,
Alleen omdat die trek mij niet bevalt.
Iemand mishandlen zonder reden
Getuigt van tuchtelooze zeden.

Ik wil niet in die smalle huizen wonen,
Die Leelijkheid in steden en in dorpen
Bij duizendtallen heeft geworpen…
Daar loopen allen met een stijve boord
– Uit stijlgevoel niet, om te toonen
Dat men wel weet hoe het behoort –
Des Zondags om elkaar te groeten
De straten door in zwarte stoeten.

In Nederland wil ik niet blijven,
Ik zou dichtgroeien en verstijven.
Het gaat mij daar te kalm, te deftig,
Men spreekt er langzaam, wordt nooit heftig,
En danst nooit op het slappe koord.
Wel worden weerloozen gekweld,
Nooit wordt zoo’n plompe boerenkop gesneld,
En nooit, neen nooit gebeurt een mooie passiemoord.

 

Wat heb ik destijds genoten van het werk van J.J.Slauerhoff (1898-1936)!! Hij was de eerste poète maudit in ons kikkerland.
‘Slechts in mijn verzen kan ik wonen,’ dichtte het enfant terrible. Zijn vrouw, eigenlijk bijzit, Darja Collin, was danseres, maar wanneer Jan thuiskwam van een van zijn scheepsreizen zat hij al op haar te wachten. Ze bewoonden een appartement boven het café Oosterling aan het Amsterdamse Frederiksplein. Het café is er nog steeds. ‘Bier godverdomme!’ riep de dichter/scheepsarts als Darja het pand betrad. En hij kreeg zijn zin, ze spoedde zich naar beneden met een kruik om het gevraagde te bezorgen.

Darja Collin: foto onbekend.

Ook stak hij uit pure jaloezie het zomerhuisje van Adriaan Roland Holst in de fik en dacht hij de reincarnatie te zijn van Camoës, een zeeheld.
In mijn jeugd was alles nog keurig in het gelid. Maar Jan Slauerhoff schudde de lakens op. Er was nog geen provo, er waren geen hippies laat staan punks, maar wij hadden Slauerhoff.
Wie in de duinen van Vlieland zoekt vindt daar onder een glasplaat een gedicht van hem. Weinig mensen weten dat, maar ja ik word oud.

Geplaatst in Column.