‘Het is de taak van een stadsdichter of Dichter des Vaderlands om poëzie bij mensen te brengen, ze te inspireren en ze op een nieuwe manier te laten kijken’

Lilian Zielstra (Stadskanaal, 1991) is dichter en schrijver. Ze was stadsdichter van Groningen. Haar debuutbundel Specimen kwam in oktober 2014 uit, als afsluiting van haar jaar als huisdichter van de Rijksuniversiteit Groningen. In 2019 verscheen haar bundel Ik zag een man met een bos bloemen naar de Nieuwstad gaan. Ze won de Frans Vogel Poëzieprijs, stond tweemaal in de finale van Write Now!, en trad onder andere op bij Oerol, Explore the North en Dichters in de Prinsentuin. Ze ontving in 2019 een eervolle vermelding van de jury van de C. Buddingh’-prijs. Ze studeerde Nederlands, was voorheen boekhandelaar bij Boekhandel Godert Walter, en werkt nu bij Biblionet Groningen als leesconsulent.
Annet Zaagsma sprak met haar.

foto: Henk Veenstra

 

In 2017/2018 was je stadsdichter van Groningen en in 2013/2014 huisdichter van de Rijksuniversiteit Groningen. Wat voor kwaliteiten heb je nodig als gelegenheidsdichter of dichter-in-opdracht?
Als gelegenheidsdichter is het je opdracht om poëzie te brengen bij mensen die nog niet veel poëzie lezen of horen. Het is dus handig om poëzie te schrijven die helder van toon is, poëzie waarvan de taal goed te begrijpen is. Verder denk ik dat je niet bang moet zijn om voor te dragen, want de meeste gedichten moet je op het podium kunnen brengen.

In hoeverre hield je toen in je poëzie rekening met je lezers en je opdrachtgevers? Is dat anders nu je niet meer ‘in opdracht’ schrijft, maak je nu andere gedichten?
Qua onderwerp hield ik veel rekening met mijn lezers; als huisdichter schrijf je over onderwerpen die het studentenleven aangaan, als stadsdichter natuurlijk over de stad. Binnen die kaders is nog steeds veel vrijheid, er gebeurt natuurlijk genoeg, als je goed kijkt. Nu ik weer ‘voor mezelf’ schrijf, gaat het ook weer meer over mezelf. Ik merk trouwens dat ik het moeilijker ben gaan vinden, om uit mezelf aan een gedicht te beginnen.

Is het bestaan van een stadsdichter of Dichter des Vaderlands eigenlijk nodig?
Lastige vraag – ik wil natuurlijk direct ‘ja’ zeggen. Dus ik heb even bewust moeten nadenken over deze vraag, maar ook dan kom ik op ‘ja’. Een stadsdichter, of Dichter des Vaderlands, is een ambassadeur van de poëzie. Dat zei ik eigenlijk al een beetje in mijn eerste antwoord – het is haar of zijn taak om poëzie bij mensen te brengen, om ze te inspireren en ze op een nieuwe manier naar gebeurtenissen, plaatsen of mensen te laten kijken. Poëzie leent zich daar goed voor – soms hoor je een gedicht en dan denk je: ‘Ja, zo zit het. Dat bedoelde ik.’ Dat vind ik het magische van poëzie, van literatuur in het algemeen. Het enthousiasme dat een dichter voelt voor zijn vak, werkt hopelijk aanstekelijk.

Als stadsdichter was de stad Groningen als het ware jouw muze. Hoe werkt dat? Wat inspireert jou (toen en nu) om te schrijven?
Ik hou ontzettend van Groningen, het is gewoon een lieve stad. In die stad lopen heel veel verschillende mensen, en als stadsdichter kom je makkelijker met die mensen in aanraking. Daar word ik blij van, om al die verschillende verhalen te horen. Daarom was ik veel op pad – naar een buurtbarbecue, een raadsvergadering, een café, een begraafplaats. Dat inspireerde me ontzettend, en nog steeds. De mooiste dichtregels die ik heb geschreven, zijn vaak op de een of andere manier gejat van dingen die ik mensen op straat heb horen zeggen, in de supermarkt heb zien doen.

Vader

De eerste jongen die mij zoende is nu veertig.
Ik zag hem laatst bij de supermarkt in het dorp,
hij werd op de voet gevolgd door zijn drie dochters.

Hij weet hoe hij meisjesharen moet vlechten,
bandjes van meisjessandalen moet vastmaken,
met welke liedjes hij kan opjutten en sussen.

De jongste dochter zit in de kar en laat zich rondrijden.
De oudste dochter draagt met toewijding een doos eieren,
een recht dat alleen aan oudste dochters wordt verleend.

Kijk, wijs ik mijn dochter, dat is de eerste jongen
die je moeder zoende. Ik was verliefd op hem.
Voordat jij een kind was, was ik het.

Hanteer je bepaalde regels voor jezelf als je een gedicht schrijft?
Ik werk met ‘schrijfrondes’. De eerste ronde is helemaal vrij, ik hoef niet aan vorm of klank te denken, ik schrijf gewoon wat in me opkomt. Dat gaat associatief. In de tweede ronde breng ik vorm aan, dan kijk ik bijvoorbeeld of ik een strofe twee regels krijgt, of meer. In de derde ronde kijk ik naar lettergrepen en naar klankherhaling. Kan ik woorden schrappen of vervangen, zodat het metrum goed loopt? Ik werk niet vormvast, maar ik wil wel dat het gedicht ‘vloeit’. Het moet van de tong kunnen rollen, ik moet het kunnen zingen. Daarna laat ik het gedicht een tijdje liggen, als daar tijd voor is. In de laatste ronde kijk ik zo kritisch mogelijk naar het gedicht.

Glaslaag

Er zijn scholen waar je over porselein kan leren
hele dagen vult met dunne lagen glazuur leggen
een studie maakt van hals en oor, maar
ik ben er nooit geweest

Ik beet zacht op de randen van dunne theekopjes
tussen mijn vingers hield ik weleens iets breekbaars
holle vogelbotjes, een jongen van zestien, bijbelpapier

Ze bewaarde stenen borden en kruiken in een buffetkast
zong: dood en bruid gaan de voordeur uit
licht dat schuin in de pronkkamer viel

Op internet las ik dat een kleine glassplinter
via je slagaders in je hart terecht kan komen, dus

er brak nooit iets, nee
ik durfde het niet

Je was twee jaar de drijvende kracht achter het project ‘Dichten met Oma’, waarin jonge Groninger dichters ouderen bezochten in o.a. verzorgingstehuizen en ter plekke poëzie schreven aan de hand van de gesprekken die ze met hen hadden. Wat is de ervaring die je daar hebt opgedaan? Heeft het inzetten van poëzie in een dergelijk project meerwaarde ten opzichte van bijvoorbeeld proza, muziek, of film?
Bij Dichten met Oma zag ik hoezeer mensen op zoek zijn naar verbinding. Heel cliché misschien, maar ik ben vaak aan het nadenken wat ik moet zeggen en hoe dat overkomt. Door dat ‘uit te zetten’ en alleen te luisteren, merk je hoeveel iedereen te vertellen heeft. En hoe boeiend die verhalen, zonder uitzondering, zijn. Het heeft hetzelfde effect als een goed boek lezen – je leeft op zo’n moment even een leven dat nooit de jouwe zal zijn. Fascinerend vond ik dat. En zo mooi om te zien hoe open de meeste mensen zijn. We waren vaak met een groep dichters en een muzikant. Dat had mijn voorkeur, omdat dat vaak kortere stukken zijn – zo houd je de aandacht langer vast. Proza is prachtig, maar vraagt meer van een luisteraar. Over film heb ik niet nagedacht, daar ben ik verder ook geen kenner van.

Droogijs

De dochter leert het verschil tussen een slager en een slachter
op de dag dat haar vader haar mag meenemen naar zijn werk

Ze denkt aan mannen met witte petten in de supermarkt
vijf glimmende vingers over glazen randen, daartussen
een rozig stukje boterhamworst, opgerold en hapklaar

Ze krijgt snoep van potige kerels met tattoo’s en wordt
over haar wangen geaaid, verstopt zich achter broekspijpen

Die dag leert ze slalommen tussen opgehangen karkassen
lijven die wit en droog aan zilveren haken hangen, lacht
wanneer ze een ribbenkast om zijn as laat slingeren

Naast dichter ben je ook boekhandelaar. In mijn ervaring kan dat leiden tot een soort leesmoeheid of boekenblindheid omdat je de hele dag met boeken te maken hebt.  Lees je nog wel, en lees je nog poëzie?
Oh nee, bij mij heeft het juist het tegenovergestelde effect! Ik vind het heerlijk om als eerste de boeken in handen te hebben, nadat het boek verschenen is, om te zien wat er allemaal uitkomt – ik wil dat het liefst allemaal lezen. Dat is voor mij de enige keerzijde; soms heb ik het gevoel dat ik tijd tekortkom. Dat heb ik dan gemeen met de klanten van de boekhandel. We verzuchten allemaal dat er zoveel mooie boeken zijn en zo weinig tijd is. Ik lees nog wel poëzie, maar minder dan ik zou willen. Hier en daar een paar losse gedichten uit bundels, om een indruk te krijgen van de stijl van de dichter. Het is een tijd geleden dat ik een bundel van kaft tot kaft las.

Bestaat er zoiets als een Groninger poëzietraditie of poëziecultuur? Hoe zou je die omschrijven? Zie je daarin een verschil tussen de stad en de regio, en in gedichten in het Nederlands en in het Gronings?
De stad Groningen heeft een traditie van podiumdichters. Sowieso moet je tegenwoordig als dichter het podium op om voor te dragen, maar in Groningen was daar allang een podium voor. De Dichters uit Epibreren zijn daar een mooi voorbeeld van. Groningen was de eerste stad met een stadsdichter. Ik weet het niet helemaal zeker, maar volgens mij is de Groningse universiteit ook de enige met een huisdichter. Er zijn veel laagdrempelige podia, zoals de Dichtclub en Noordstaat. Het Poëziepaleis zit in Groningen en ook NOORDWOORD is benaderbaar. Voor een beginnende dichter zijn er veel ingangen, en dat werkt stimulerend. In de regio weet ik het niet zo goed; ik weet alleen dat de gemeente Oldambt een stadsdichter heeft, en dat er veel leesclubs bestaan. Ik ben niet zo bekend met Groningstalige poëzie, ik ken eigenlijk alleen het werk van Fieke Gosselaar en Jan Glas, en dat vind ik heel mooi. Het is voor mij toch de taal waarmee ik opgroeide (mijn ouders spraken Nederlands tegen mij en Gronings met elkaar), dus dat werkt nostalgisch.

Je laatste dichtbundel, met je gedichten als stadsdichter, dateert van 2019. Waar ben je momenteel mee bezig en wat zijn je plannen?
Ja, het is inmiddels alweer een tijdje geleden. Ik schrijf nog wel gedichten, maar in een veel lager tempo. Ik heb nu meer tijd om erover na te denken; dat is voor mij een vloek en zegen ineen, omdat ik oneindig aanrommel en niet snel tevreden ben. Ik heb sinds 2019 vijf gedichten geschreven waarover ik écht tevreden ben. Dus een bundel laat nog wel even op zich wachten. Ik ben wel meer proza gaan schrijven; ik hoop dat ik daar mee verder kan, dat vind ik op het moment heel leuk. Ik zou ook weleens wat korte verhalen willen schrijven, dat vind ik ook een fijne vorm. Dus ideeën genoeg!

 

Geplaatst in Interviews.