Spijt

door Jan Loogman

 

De tijd waarin wij leven lijkt een leerzame tijd voor wie meent in zijn leven niet alles goed te hebben gedaan. Om de haverklap gaat het immers over spijt, berouw en excuses. Daardoor gaan bovendien minder tijdsgebonden teksten opvallen waarin deze fenomenen aan de orde zijn. Op dit moment herlees ik bijvoorbeeld Alleman van Philip Roth en al op pagina 11 blijf ik haken bij een passage waar ik in andere tijden misschien overheen had gelezen. Het is de passage waar Nancy spreekt bij de begrafenis van haar vader. Roth geeft het slot van haar toespraak als volgt weer: ‘Ja, zo gaan de dingen. We kunnen er niets meer aan doen, papa.’ Toen herinnerde ze zich zijn stoïcijnse lijfspreuk van tientallen jaren geleden, en ze begon te huilen. ‘Je kunt de werkelijkheid niet overdoen,’ zei ze tegen hem. ‘Neem het leven zoals het komt.’

Wie weet is Sigrid Kaag deze Stoïcijnse instelling toegedaan, maar als dat zo is, kan ze daar niets van laten merken. Wie fouten maakt, moet tegenwoordig flink door het stof. De schuldige gaat niet gauw diep genoeg door de knieën. Het lijdt voor de media geen twijfel dat Kaag de schuldige is. De #MeToo-kwestie binnen haar politieke partij heeft niet de man die over de schreef is gegaan, ene Frans van Drimmelen, als hoofdpersonage, en ook niet zijn slachtoffer. Partijleider Kaag staat centraal, zij heeft hoog van de toren geblazen maar bestrafte Van Drimmelen niet en liet zijn slachtoffer in de kou staan. Daarmee is zij van haar voetstuk gevallen. Op een laat moment heeft Kaag geprobeerd haar falen te erkennen. Ze verwees naar de hoge eisen die zij zelf ook stelt aan haar leiderschap en zei dat ze ‘de lat niet had gehaald.’  ‘Dat spijt me,’ voegde ze daaraan toe. ‘En ik vind het niet moeilijk om dat te zeggen. Ik vind ook dat dat dieper is dan wanneer ik zeg dat ik excuus aanbied.’

Hoewel Kaag ver bleef van de Stoïcijnse vaststelling dat ze de werkelijkheid niet kon overdoen, was haar poging tot spijtbetuiging niet goed genoeg. ‘Waarom’, vroeg Trouw-columnist Stevo Akkerman zich af, ‘had ze niet gewoon gezegd dat ze zich wel voor de kop kon slaan.’ Een eerste antwoord op die vraag is eenvoudig: hoe zouden deze woorden ooit geloofwaardig hebben kunnen klinken uit haar wellevende mond? Niettemin is duidelijk wat hij bedoelt: Kaags spijtbetuiging overtuigde niet.

Een verklaring daarvoor kan gezocht worden in de spijtbetuiging zelf, maar zeker ook in de maatschappelijke context. Het is plotseling in de mode / om het de godganse dag over niets anders / dan vallen te hebben, lees ik in de eerste regels van gedicht XXXIII in Trappen van Sebastiene Postma. Kaag mocht proberen duidelijk te maken dat ze tekort was geschoten, maar liever dan te luisteren naar haar woorden, zien wij haar vallen, zeker omdat zij zichzelf op het voetstuk van het nieuwe leiderschap heeft geplaatst.

Behalve deze maatschappelijke context is er de spijtbetuiging zelf, afkomstig van de beroepspoliticus en de bestuurder Kaag. In zijn essay Over berouw houdt Montaigne zich onder andere bezig met de geloofwaardigheid van spijtbetuigingen en getoond berouw. Montaigne heeft het niet over ‘impulsieve, abrupte en plotselinge zonden,’ maar over ‘die andere, die we zo vaak herhalen en met opzet en overleg begaan, of zonden die uit ons karakter voortvloeien, of zelfs uit ons beroep of onze bezigheden.’ Van zulke zonden meent hij dat ze zo verbonden zijn geraakt met de persoon die ze begaat, dat deze ze wel gewild en bedoeld moet hebben. En wat nu als deze persoon spijt betuigt? Wanneer degene die zulke zonden begaat ‘er prat op gaat op bepaalde voorgeschreven momenten door berouw te worden overvallen, kan ik me daar moeilijk iets bij voorstellen,’ noteert Montaigne. Misschien heeft hij het in zijn zestiende eeuw over een periodieke biecht in de rooms-katholieke kerk, maar in de tegenwoordige tijd kan een persconferentie van een politieke partij ook zo’n ritueel moment bieden. Kunnen we ons gezien het beroep van politicus en bestuurder iets voorstellen bij de spijtbetuiging van Sigrid Kaag? ‘Moeilijk, moeilijk,’ meen ik Montaigne te horen mompelen. Als er geen gedoe van was gekomen, was ze de hele Frans van Drimmelen-kwestie allang vergeten. Dan had de lat voor haar precies goed gelegen.

Geloofwaardig spijt betuigen lijkt, kortom, niet weggelegd voor publieke persoonlijkheden en evenmin voor mensen die berouw tonen over zonden die zij systematisch begingen. Wie uit alle aandacht voor openbare spijtbetuigingen voor zichzelf een les probeert te trekken, lijkt er dan ook weinig hoop aan te kunnen ontlenen. Wroeging over eerder handelen lijkt geen echte spijt of berouw op te kunnen leveren, maar louter schuldgevoel en wanhoop. Het enige dat rest, is vallen.

Deze treurige slotsom was niet die waartoe een wijs man als Czeslaw Milosz (1911 – 2004) kwam. In 2000 noteerde hij onder de titel Wat heb ik geleerd van Jeanne Hersch? als twaalfde item:

Dat we ons in ons eigen leven niet aan wanhoop mogen overgeven als gevolg van fouten en zonden, aangezien het verleden niet gesloten is en het zijn betekenis ontvangt van onze latere daden.

Misschien slaan wij ons voor de kop als wij ‘de lat niet hebben gehaald’ maar dat hoeven wij niet te blijven doen. Ondanks het mompelen van Montaigne is voor de zondaar een nieuwe lente, een nieuw geluid niet uitgesloten.

 

 

afbeeldingen 1, 2 en 4 Pixabay, 3 Wikipedia

 

Geplaatst in Column.