Eddy Steenvoorden

Eddy Steenvoorden (1960) is freelance journalist/tekstschrijver en fotograaf.  Vijf jaar geleden waagde hij zich aan de poëzie met het volgen van cursussen bij de Utrechtse dichter Ingmar Heytze. Een jaar later startte hij met poëzielessen bij dichter Peter Swanborn. Gedichten van hem zijn inmiddels onder meer gepubliceerd op de website Het Gezeefde Gedicht en in de bloemlezing Steeds op reis en altijd thuis, met de beste gedichten van 2018.

foto: Lot Steenvoorden

 

Eieren

en god zal alle tranen van hun ogen afwissen
en de dood zal niet meer zijn –

waar is mijn wandelstok jongen
niet meer nodig oma
je bent in het paradijs
straks dartel je tussen de lammeren
lig je te zonnen naast een jonge leeuw

noch rouw noch gekrijt noch moeite zal meer zijn –

jongen weet je waar mijn shag is
er is geen shag meer oma
en geen kanker
trouwens vanaf nu krijg je geen enkele ziekte meer

ze kijkt omhoog
richt het woord tot de spreeuw die een zwerm
van richting laat veranderen

dus de eerste hemel en de eerste aarde
zijn eindelijk voorbijgegaan

heb ik de eieren eigenlijk van het vuur gehaald
Binnen handbereik

vandaag ben je geen kastanje vriend
ik zie heus wel dat geen tak van jou een peuk opsteekt
met het vuur van de vorige – jij
in je zelf gecreëerde mist –
dat je laagst hangende handen geen
veel te hete Indiase curry bereiden
eigen recept jongens
dat je witter dan witte kaarsen niet glas na glas aanreiken
uur na uur neem ik geen afscheid
bijt ik me vast in dit houten bankje
omhels geen stam
weiger naar huis te wankelen toe te staan
dat jij hier achterblijft tussen stomme bomen
het vuur laat varen –
vandaag ben je geen kastanje
morgen weer iets anders
niet
Open boek

boek beet naast mijn bed
ongelezen in het stof
LUL
riep boek elke avond genadeloos
tot eindelijk mijn dromen
zijn verwijt terzijde schoven

voor straf zette ik boek in kast
noemde dit opruimen
zoals ik eerder hoop verplaatste
naar aanvaarding en die de titel wijsheid gaf

na verloop van tijd raakte kast vol leugens
ging ik opruimen
alfabetiseren noemen –
na A linksboven en
.                                   Z rechtsonder
zat mijn leven potdicht

nu hoef ik alleen nog
ontwaken dromen te noemen
en dromen open boek
Op de drempel

daar ben je weer

met die eeuwige grijns
die snor die zich uitrekt als een poes
die kraters in je wangen waarvan de bodems
elkaar kunnen raken
dat bizar witte gebit in
dat vermolmde gezicht

achteloos piek je je miljoenste peuk tussen de sterren

kennen jullie de mop van die twee wasmachines?

zegt de ene tegen de andere
ik was dus ik ben

god wat lachen we

neem een stoel pik
kom bij ons zitten

we horen zien voelen ruiken proeven missen je

we drinken
drinken
denken alles vol

ons tafeltje wiebelt als een losse kindertand
hoeveel viltjes we ook dubbelvouwen
Nieuwe oude man

mijn kapper met haar
handen in mijn haar
haar herhaalverhalen over de costa del hopsa
ach zo geruststellend allemaal
ik steeds jonger aan haar lip
god wat een heerlijk land
met die zee dat zand haar mooie Hans
met zijn hart zo zwak en alles
die dramatische scheiding nee niet die haha
haar gerimpelde stilte
de hartslag van een schaar
slanke nicotinevingers vol venijn
sneeuw op mijn cape
eeuwig roze truitje op onuitwisbaar zonnebankbruin
zilveren hartje dronken om haar nek
hier nog iets korter misschien
afronding met conclusie van staal
kokosnootgel

en dan die nieuwe man
pal tegenover mij
met zijn onherkenbaar vertrouwde smoel
zijn 1-motorige breintje vol vage angsten
pinpas al in de perkamenten hand
jas aan doeg tot volgende keer deur door
op weg naar nog meer ouderdom
Gisteren

onze kinderen zijn jong en mooi
als snijbloemen in oma’s vaasje
wij veranderden vanzelf
in droogboeketten

jij mijn vriend
bent hun en ons en alles tussen iedereen
want duizend keer
niets blijft niets

het grote voordeel van afwezig zijn
is dat je niet meer vertrekt –
ons missen houdt je hier

dus blijven we
ieder jaar dat traag vergaat
stug doen alsof je gisteren
Geplaatst in Gedichten.