Op mijn moeders verjaardag

door Jan Loogman

 

We kwamen na drie jaar weer bij elkaar op de geboortedag van onze moeder, grootmoeder, overgrootmoeder. Zoals dat na haar dood onze gewoonte geworden was. Natuurlijk waren we er niet allemaal. Een was ziek, een ander aan het werk, en in de tweede generatie ontbraken op een enkeling na degenen die kinderen hadden. Toch telden we 32 mensen aan onze tafels, de jongste acht jaar, de oudste tachtig. Feitelijk zaten we aan twee tafels; aan de een de eerste generatie, de kinderen van Mien en hun partners, aan de ander de tweede generatie, mijn moeders kleinkinderen en hun aanhang. De setting was niet statisch, mijn zussen stonden op en gingen tussen de jongeren zitten, benieuwd naar hun verhalen over banen, woningen, concerten, zich opladend aan hun energie. Soms kwam een neef of nicht naar de eerste tafel, op zoek naar de aandacht van ooms en tantes of naar het plezier van bekende grapjes. Toen de borrel al een tijdje duurde en het uitserveren van de maaltijd even op zich liet wachten gingen er een paar naar buiten om op het leeggewaaide terras verstoppertje te spelen.

Terwijl ik daar languit achter een tafel lag – onzichtbaar vanaf de buutplaats – dacht ik aan mijn moeder. Wat zou ze genoten hebben van dit zootje ongeregeld, haar nageslacht. Deze vreugde had ze niet kunnen voorzien toen vanaf het midden van de zestiger jaren haar eigen kinderen zich begonnen te ontplooien. Zoals ik hier lag, zo had ik in die tijd eens op mijn bed gelegen, een boek van Herbert Marcuse in mijn handen. Terwijl ik zijn theorie over repressieve tolerantie probeerde te doorgronden, stapte mijn moeder huilend mijn blikveld binnen. Ze hield mij het meest recente nummer van Crawdaddy! voor, het Amerikaanse rock-tijdschrift dat ik een paar dagen eerder bij Athenaeum op het Spui had gekocht. Er bleek een foto van een naakte vrouw in te staan en dat was onverdraaglijk voor mijn moeder. ‘Die was mij nog niet eens opgevallen,’ zei ik. ‘Denkt u dat ik daar opgewonden van word? Hier moet u zich meer zorgen om maken.’ Ik wees op mijn boek. ‘Dat ik dit lees, zou u erg moeten vinden. Maar misschien is dit te hoog gegrepen voor u.’ Nog steeds huilend gooide mijn moeder mij Crawdaddy! naar het hoofd. Een half jaar later verliet ik het huis om op mezelf te gaan wonen. Opnieuw huilde mijn moeder, ze kwam uit de tijd dat kinderen tot hun trouwen bij hun ouders woonden. Kort daarna werd ik negentien, mijn moeder belde op en zei dat ze me een goede winterjas cadeau wilde doen. Nadat ik hem gekregen had, liet ik hem bij haar aan de kapstok hangen. Ik koos liever zelf mijn kleding uit. Een jaar of vijf later hing de jas er nog. Bij het weggaan na een bezoek aan het einde van de zomer bekeek ik de jas, nam hem van de kapstok en trok hem aan. Toch wel een fijn kledingstuk.

‘Gebaard heeft ze je,’ schrijft Mustafa Stitou in zijn nieuwste bundel: ‘Gebaard heeft ze je, ­opgevoed, een vreemde zien worden, / maar losgelaten nooit en jij haar evenmin’.

In de jaren nadat ik mijn ouderlijk huis had verlaten, vertrok daar van mijn broers en zussen de een na de ander. Mijn moeder raakte eraan gewend dat kinderen vertrokken. ‘Ze moesten inderdaad gaan, ik had het gezien,’ had ze met Rutger Kopland kunnen zeggen. Ze leek steeds gemakkelijker te worden in het aanvaarden van de keuzes van haar kinderen, ook als dat ging om keuzes die ooit ondenkbaar voor haar waren geweest.

Eén keuze bleef haar pijn doen. Dat veel van haar kinderen partners vonden, die niet in god geloofden, kon ze aanvaarden. Zelfs gunde ze haar kinderen hun eigen geloofs- en kerkkeuzes. Toch deed het haar pijn dat de meeste van haar kinderen daadwerkelijk de kerk en misschien ook het geloof verlieten. Dat bracht haar niet tot een verwijt aan ons, ze rekende het zichzelf aan als een tekortkoming waarvoor haar Heer haar ter verantwoording zou roepen.

Nadat ik gezien en gebuut was, ging ik binnen naast mijn oudste zus zitten en keek met haar naar een foto van onze moeder, aan de wandel in haar geliefde Limburg. Op de achtergrond zagen wij een kruisbeeld, zoals dat in die provincie op allerlei plekken te vinden is. Ik herinnerde me de regels van Rutger Kopland: ‘en in dit liefelijk landschap de zoon / van de maker, aan een boom genageld, / maar geen spoor van geweld / of verzet, alleen maar / vrede, rust. (…) Zonder verwijt.’  Mijn zus en ik keken nog eens naar de foto. We zagen de zoon van God, hij lachte naar onze moeder.

 

foto’s

1) © Pixabay
2) © Panoply Books
3) ©  Veldkruus

Geplaatst in Column.