Hans Tentije – Waarvandaan

Waarvandaan? Daarvandaan!

door Marc Bruynseraede




Waarvandaan komt de inspiratie van Hans Tentije – in een onbewaakt ogenblik wel eens Frans Tenrije genoemd – om almaar nieuwe gedichten te schrijven ? Met deze onbeantwoorde vraag en gelijknamige bundel Waarvandaan geeft hij, met zijn 23ste uitgave, het antwoord, bij de immer fidele uitgeverij De Harmonie. Het moet zijn dat De Harmonie toch wel iéts gezien heeft in de poëzie van H.T.
Spijts de talloze prijzen die de dichter voor zijn werk in de loop der jaren in de wacht gesleept heeft, is hij nog steeds niet bij machte de werkelijkheid in een voor hem bevredigende bewoording te vatten, vorm te geven, vast te leggen, er zich mee te verzoenen en er zich echt helemaal in thuis te voelen. Dat zou immers de noodzaak van het schrijven wegnemen en de poëzie overbodig maken. Intussen doet hij het dan maar met de onrustige, scherpgeslepen punt van zijn lekker lezende taal. Het lijkt wel proza.

Een nietsvermoedende leek zou zijn portret (op de achterkaft van de bundel) – mogelijk in een verstrooid moment van de uitgever, verwisseld met dat van een Oekraïense tarweboer, die er wat ongelukkig uitziet, omdat hij zijn graan niet meer kan afzetten in de haven van Odessa, makkelijk als een echt slachtoffer van de oorlog kunnen beschouwen. Tja, die alomtegenwoordige en onbevattelijk-tragische oorlog in Oekraïne, hé. Met verzen – tussendoor – die als heel precieze en zorgvuldig uit elkaar spattende taal, neergezette facts and figures, geformuleerd staan. Trefzeker, dodelijk. Echter, het archief van DBNL.org verschaft ons de geruststellende zekerheid dat het wel degelijk om de genaamde Hans Tentije gaat. Niets aan de hand, dus.

De bundel telt vier cycli die een reflectie over het voorbije gemeen hebben. De manier van schrijven doet denken aan de ‘trompe l’oeil’-techniek van schilders. De werkelijkheid zo precies gedetailleerd weergeven, alsof ze levend uit het schilderij zou kunnen springen. En tegelijk blijft de realiteit van de gedichten ‘ONBEREIKBAAR DICHTBIJ’ , zoals de eerste cyclus genoemd is.

Mijn gedachten gaan naar de dichter Stéphane Mallarmé die stelde dat poëzie of taal als medium nooit bij machte zal zijn om de werkelijkheid in zijn geheel, of ‘als reëel’ weer te geven. Altijd blijft er dat gemis, dat mankement aan ik-weet-niet-wat. De heel precieze, prozaïsche manier van schrijven doet de argeloze lezer vermoeden dat hij wel eventjes lekker dat gedicht gaat lezen. Maar bij de laatste regel rest er een gevoel van: wat heb ik hier gemist? Of: waar gaat dit nu eigenlijk over? Wat er niét staat is dat onstelpbaar gevoel van melancholie, van gemis.

NET ALS TOEN

In gedachten volg ik de paden weer, voel hoe het grint
onder mijn spekzolen knerpt, de instelling
is door een hoog ijzeren hek omsloten, de herfstige wingerd
kleurt rood tot aan de raamkozijnen
van de bovenste verdieping, mist onttrekt het dal
aan het zicht, net als toen
zou ik erin willen verdwalen –

ik veronderstel dat de tocht de bedompte lucht
van ontsnappingsdromen nog altijd niet uit de slaapzalen
heeft weten te verdrijven, de penetrante
lucht van sudderlappen en doodgekookte groente
uit de keuken

de echo’s zullen er vast heel lang blijven hangen, het geluid
op de granieten, vuilgeel betegelde gangen
van de stappen van de surveillanten, van die ene
mankepoot vooral, die je sloeg
als hij toevallig de kans kreeg en wist
dat niemand het zag –

de verwilderde boomgaard, afgewaaide takken
her en der en rottend fruit rond de stammen, de moestuin
aan opslag, grassen en distels ten prooi
en wat ooit gewoon lukte maar nu beslist niet meer:
me tussen de spijlen door te wringen

De vraag is niet of we de poëzie van Hans Tentije moeten klasseren als een vorm van neo-romantiek, maar wat de betekenis is van zijn dichtkunst; wat hij ermee wil zeggen en wat het met ons doet.

Ergens is de dichter nog altijd de ‘luchtfietser’ gebleven uit zijn eerst bundel in 1978, die zich, als in de experimenteertijd van de luchtvaart in Parijs omstreeks 1900, met zijn ‘Aviette’ het hemelruim wil in begeven. Hij gelooft er rotsvast in dat hij zal kunnen vliegen, ook al blijven zijn twee voeten op de grond staan. De gedichten zijn geen afspiegeling van de werkelijkheid maar een verbeelde of ingebeelde werkelijkheid, hoe levensecht ze er ook uitziet. Het gaat hier om een werkelijkheid achter de werkelijkheid of een werkelijkheid met dubbele bodem. Niet alleen wil de dichter zich in het luchtruim begeven; hij wil er ook de lezer mee naartoe nemen. Tegelijk contrasteert het zo elegant beschrevene met de grauwe, troosteloze werkelijkheid zoals de lezer die wel kent. Maar gelukkig opent de poëzie van H.T. zich als een beschuttende parachute, om zacht neer te komen in het weiland van onze dagelijkse besognes.

Quasi anekdotische reisherinneringen, als in de cyclus ‘PRAAGSE MOMENTEN’, bevestigen ons waarom dit soort poëzie zo graag gelezen wordt. Het is zo helder, verstaanbaar en, met het métier van de scherpzinnige waarnemer, tot in de minuscule details uitgewerkt, dat je niet anders kunt dan het te bewonderen. Lees maar:

VAN TIJD TOT TIJD

Toen ze, op de betonnen treden voor de ingang
van ik weet niet meer welk museum
gefotografeerd werd, besefte ze waarschijnlijk niet
hoe doorschijnend haar luchtige
katoenen jurk moest zijn, in de volle zon

en zo maakte ze deel uit van de talrijke versnipperde beelden
die zich van tijd tot tijd weer aan me opdringen
om het grotere geheel dat erachter schuil moet gaan
meestal hermetisch af te schermen –

ongedwongen, zich onbespied wanend, blijft ze
met onderbrekingen van jaren soms, fleurig en fraai gevormd
als altijd, zonder ook maar even
haar houding of mimiek aan te passen
gewoon poseren

terwijl daar beneden haar het stadsleven door de hitte
haast stilgevallen is zal ze eens
te meer in haar eigen verten verdwijnen –

Cyclus drie van de bundel heet ‘HET VERWEVENE’ en laat, met nog meer klemtoon, zien hoe echtheid en schijn, het reële en het metafysische, tijdelijkheid en eeuwigheid kunnen samengaan; hoe ze beiden deel uitmaken van één poëtisch universum en ook als een geheel dienen beschouwd te worden. Opmerkelijk in dit verband is dat in deze gedichten nergens een punt voorkomt. Alleen de komma’s zijn aanwezig om de leesbaarheid te bevorderen. Maar waar een gedachte beëindigd is, komt alleen een gedachtestreepje voor, een soort van tijdelijke stilte. Adempauze.

De vierde cyclus ‘LEVENSTEKENS’ is een résumé van al wat aan lieflijke akkefietjes het pad van de dichter, over de loop der jaren, gekruist heeft: de orangerie, gesloten mijnen, wat ervan geworden is, Duce, de oude kwijlende dog ‘alsof de dood hem net nog een lekker hapje voorgehouden had’. Soms denk ik: het is wel barok en o zo braaf. Het is met een ingehouden snik geschreven, op de golven van het denken, met hier een daar het vlokkenschuim van de herinneringen. Straks zullen de woorden van de dichter nog bewaarheid worden: ‘ik begon uit steeds meer herinneringen te bestaan’.
____

Hans Tentije (2022). Waarvandaan. De Harmonie, 64 blz. € 17,90. ISBN 9789463361507

Geplaatst in Recensies.