Rondelen thema Boekenweek – Eerste liefde

Zoveel liefdes, zoveel zinnen

door Hettie Marzak




Voor de derde keer heeft De Wereldbibliotheek een bundeltje uitgebracht met gedichten die rond het thema van de Boekenweek geschreven zijn. Niet alleen het thema, maar ook de vorm wordt hierbij voorgeschreven. De eerste keer, in 2020, was het thema ‘Rebellie’ en de dichtvorm het sonnet; in 2021 ging het om het thema ‘Tweestrijd’ dat in epigrammen gegoten moest worden. Nu is het thema ‘Eerste liefde’ en zijn er rondelen geschreven. Er hebben 32 bekende en minder bekende dichters een bijdrage geleverd met in totaal 37 gedichten. Sommigen waren zo enthousiast dat ze meerdere rondelen schreven, zoals Marc Tritsmans, die met drie gedichten vertegenwoordigd is en Florence Tonk, Peter Swanborn en Froukje van der Ploeg met twee.

Het rondeel, ook wel bekend onder de naam ‘rondeau’ of ‘rondo’ is ontstaan aan het begin van de 13e eeuw in Frankrijk en bleef populair tot aan de Romantiek. Erkende variaties ervan zijn onder andere triolet, rondel, rondelet en roundel. Oorspronkelijk was het een liedvorm die zich goed leende om op te dansen, omdat het rondeel bestaat uit acht versregels en slechts twee rijmklanken, die het geheel iets zangerigs geven en het melodieus maken. Deze vormvastheid heeft mooie en gemakkelijk te onthouden gedichten opgeleverd. Bovendien moeten de regels 1, 4 en 7 dezelfde zijn, net als regel 2 en 8. Voor wie heel streng in de leer wil zijn, moeten regel 3 en 7 ook nog hetzelfde zijn, maar afgezien van het doorwrochte werk van Drs. P. kom je dat nu eigenlijk nergens meer tegen. Wel moeten regel 3 en 5 rijmen op de eerste en dus op de vierde en zevende regel en regel 6 op de tweede en achtste regel. Geen wonder dat vooral de Rederijkers zich intensief met deze dichtvorm hebben beziggehouden; zij hielden van ingewikkeld geknutsel in rijmschema’s en versregels.

Voorbeelden van een rondeel zijn het Egidiuslied en in het Engels het bekende In Flanders Fields van John McCrae. In Frankrijk was het Charles d’Orleans (1394 – 1465), die deze dichtvorm vaak gebruikte; in haar boek Het woud der verwachting gaf Hella S. Haasse vertalingen van twee van zijn rondelen. Ook Willem Wilmink, die thuis was in de middeleeuwen als geen ander, heeft een aantal prachtige rondelen geschreven. Maar meestal wordt er een rondeel van de rederijker Anthonis de Roovere (1415-1482) als voorbeeld aangehaald, dat ook in deze bundel niet ontbreekt.

De strenge regels van het rondeel zijn bij de gedichten in deze bundel een beetje soepeler gehanteerd. De verplichting om de regels te laten rijmen, is komen te vervallen. Zo ontstonden er moderne rondelen, maar met een vaste vorm, omdat volgens het voorwoord ‘een herkenbare vorm soelaas [kan] bieden. Dat vergemakkelijkt het wederzijdse begrip wanneer men met elkaar communiceert.’
Sommige dichters kozen ervoor om vast te houden aan het klassieke rondeel, anderen hebben het aangepast aan hun eigen wensen, maar steeds is de vorm herkenbaar, zoals in het gedicht van Dorien Dijkhuis:

en de zee

de zee zegt geen nee
tegen rivieren

en onze handen zijn baltsende meeuwen
en de zee zegt geen nee
en onze vingers zijn vissen die in scholen bewegen
onder en over elkaar doen elkaar na

en de zee zegt geen nee
tegen rivieren

Het muzikale, dansende karakter van een rondeel is hier duidelijk hoorbaar. In de derde strofe staat de rijmklank van de tweede regel verrassend alleen. In eerste instantie lijkt dat storend, die a-klank, maar het zorgt tegelijkertijd voor een halte, een adempauze, die nodig is om een doorbraak te forceren in het deinende ritme, dat in de laatste strofe weer hervat wordt.

Er zijn rondelen bij waarvan de versregels uit slechts één woord bestaan, er zijn er bij die zijn opgebouwd uit drie strofen van elk een rondeel van acht versregels. Ook met het eindrijm wordt gespeeld. Kortom, de variatie is groot, maar duidelijk is dat elke dichter er plezier in heeft gehad om de opdracht zo goed en serieus mogelijk uit te voeren. Ook de inhoud is heel verrassend: diepe droefheid en humor wisselen elkaar af. Zo schreef Liesbeth Lagemaat een vrolijke ode aan Pippi Langkous onder de titel ‘Voor eeuwig de jouwe! Langkous!’ en er is een humoristisch rondeel opgenomen van Jos Versteegen, ‘Kalverliefde van een filmmaker’, over een winnaar van de filmprijs Het Gouden Kalf die ontdekt dat het begeerde beeldje niet van goud is, maar van brons, waarna er van de (kalver)liefde maar weinig overblijft
.
Een vreemd, maar vormvast klassiek rondeel, dat weinig woorden nodig heeft, is het titelloze en sterk ritmische gedicht van Kreek Daey Ouwens. Het is vreemd omdat niet duidelijk is wat het met het thema ‘Eerste liefde’ te maken heeft, tenzij we aannemen dat opa op een gestoorde – ik had bijna geschreven: verknipte – manier van zijn hond houdt. Als opa’s liefde zich op deze wijze uit, is het niet alleen zijn eerste, maar vast en zeker ook zijn enige liefde:

Opa blij
Brave hond
Goede waker
Opa blij
Knipt zijn staart
Nog gemener
Opa blij
Brave brave hond!

Het rondeel is van oudsher een ideale dichtvorm geweest om de liefde te bezingen en dat gebeurt in deze bundel nu eens uitgelaten, dan weer smachtend. Dat het niet altijd romantisch en verfijnd hoeft te zijn, bewijst Guus Luijters met zijn:

Rondeel

Mijn eerste liefde was een slet
Die mij met hart en ziel bedroog
Ze viel op alles wat bewoog
Mijn eerste liefde was een slet
In park en straat en op de pont
Bood zij haar kut haar mond haar kont
Mijn eerste liefde was een slet
Die mij hartstochtelijk bedroog

Geen liefde laat zulke diepe herinneringen na als de eerste liefde, of die nu beantwoord werd of niet. Er zijn dan ook schrijnende gedichten bij, maar toch overheerst de weemoed om wat geweest is.

Het is een mooi initiatief van de Wereldbibliotheek om elk jaar rond een thema een vaste dichtvorm op te leggen aan een aantal dichters. Ik ben benieuwd waartoe de volgende Boekenweek de Wereldbibliotheek inspireert.
____

Rondelen thema Boekenweek (2022). Eerste liefde. Wereldbibliotheek, 48 blz. € 10,- ISBN 9789028452374

Geplaatst in Recensies.