‘Het was de smart zelf die zong, achter een glimlach’

door Rogier de Jong

 

[Afbeelding 1, portret]

De Spaanse dichter Federico García Lorca staat bekend als een van de eerste slachtoffers van de Spaanse Burgeroorlog. Zijn openlijke homoseksualiteit en zijn steun aan de republikeinen maakten hem tot een doelwit voor rechts-extremisten. Dat neemt niet weg dat hij al bij zijn leven beroemd en geliefd was. Hij had zich tot een echte volksschrijver ontwikkeld, stevig geworteld in zijn geboortestreek Andalusië.

Granada is een snikhete stad. Hoewel een Noord-Afrikaanse wind voor enige verkoeling kan zorgen, blijft de warmte hangen tussen de heuvels. Deze calor is in de zomermaanden alomtegenwoordig en dicteert het levensritme. Geen wonder dat Lorca een nachtdier was. In de stad kan het na zonsondergang flink afkoelen en vanuit de Arabische wijk Albaicin heb je een prachtig uitzicht op het fraai verlichte Alhambra. Toen ik deze zomer de steile straatjes van Albaicin opliep, op weg naar de aangrenzende wijk Sacromonte – de zigeunerwijk met de witte grotwoningen – kwam ik graffiti tegen met het portret van Lorca en een tekstregel die rechtstreeks uit de koker van de straatkunstenaar leek te komen: 

[Afbeelding 2, graffiti]
(‘Zoveel om voor te zorgen en een stel klootzakken om hem te doden’)

Wat maakte Lorca tot doelwit? Volgens biograaf Ian Gibson had hij ‘een groot, opvallend en levendig hoofd boven een onhandig lichaam op platvoeten. […] En hoewel hij niet knap was, waren zijn gelaatstrekken af en toe van een vreemde schoonheid’.
In combinatie met zijn homoseksualiteit en zijn soms wat naïeve idealisme kan dat de haat van sommigen opgewekt hebben. Maar ik krijg uit het levensverhaal van Lorca ook de indruk dat de tegenslagen hem vastbesloten hebben gemaakt. Hij was vooral onzeker over zijn seksuele geaardheid en de smart daarover was het lied dat hij wilde zingen – achter een schaterende lach.

[Afbeelding 3, lachende Lorca]

De plek waar ik de graffiti aantrof – vlak bij de ‘zigeunerheuvel’ Sacromonte’- is  veelzeggend. Lorca deed er inspiratie op voor zijn ‘flamencogedichten’ en dan vooral de oude en ernstige variant daarvan, de cante jondo, waarmee Spaanse zigeuners en bekeerde Moren (morisco’s) hun verdriet en woede over de sociale uitsluiting en onderdrukking bezongen:

Iedere morgen vraag ik
de rozemarijn
een middel tegen liefdespijn
want ik ga dood.

Lorca kwam uit een welgesteld gezin en hij heeft deze Andalusische volksgezangen gehoord omdat huishoudsters ze in zijn ouderlijk huis zongen. De liederen zullen zowel zijn muzikaliteit als zijn aanleg voor de letteren hebben geprikkeld. En misschien ook zijn gevoel voor rechtvaardigheid. Lorca beluisterde in de gezangen het onrecht dat de gitanes, morisco’s en Joden was aangedaan. Toen hij opgroeide beklom hij vaak de heuvel Valparaiso waarop de zigeunerwijk Sacromonte ligt. Hij sloot er vriendschap met de in erbarmelijke omstandigheden levende bewoners en hun rijke muzikale traditie.

[Afbeelding 4, grotwoningen Sacromonte]

Zoals Ian Gibson in zijn veelomvattende biografie beschrijft, was Lorca een multitalent. Hij was zeer muzikaal, kon adembenemend vertellen en had daarnaast aanleg voor schrijven en dichten. Lang vond hij dat hij uit deze drie talenten een keuze moest maken. Maar wanneer we bedenken hoe dicht hij bij de orale Andalusische traditie stond en hoe hij de Andalusiërs en in het bijzonder de Granadijnen in zijn hart had gesloten, begrijpen we waarom hij deze keuze uiteindelijk niet maakte: de Andalusische volkskunst bevatte immers alle drie de ingrediënten. Bijna tot aan zijn dood bleef Lorca toneelwerken schrijven en dichten. Tussen de bedrijven door vermaakte hij zijn publiek met Andalusische volksliedjes en heerlijke verhalen en causerieën.

Niettemin zag Lorca zichzelf aanvankelijk vooral – misschien door toedoen van zijn bezorgde ouders die een carrière van hem verlangden – als musicus en toneelschrijver en behaalde hij zijn diploma als klassiek pianist. Zijn mentor, de later wereldberoemde componist Manuel de Falla, stimuleerde zijn liefde voor de Spaanse volksmuziek, waarmee via een omweg de schrijver en dichter Lorca weer boven kwamen, wat leidde tot het ‘flamencogedicht’ Poema del cante jondo (‘Gedicht voor Cante jondo’).

Naast De Falla raakte Lorca ook bevriend met de kunstenaars Salvador Dali en Luis Buñuel, en met de directeur van de Madrileense schouwburg Martinez Siërra. Deze laatste raadde hem aan voor theater te gaan schrijven. Dat mondde uit in een reeks toneelstukken, die geleidelijk met steeds meer succes werden opgevoerd, mede omdat de thema’s en verhalen bij het grote, soms ongeletterde publiek goed aansloegen, zoals Mariano Pineda en La zapatera prodigioso (‘Het ongelofelijke schoenlappersvrouwtje’). Waarmee Lorca in feite voortborduurde op de orale traditie van de Andalusische volkskunst – maar dan op het toneel.

Toch is Lorca vooral de geschiedenis ingegaan als dichter. In zijn tweede bundel Suites zijn de verzen als in een muziekstuk thematisch verwant. Zijn krachtige poëtica is dan al goed zichtbaar, zoals uit dit fragment uit de Suite van de terugkeer blijkt:

Ik keer terug
voor mijn vleugels. 

Laat me terugkeren!

Ik wil sterven als
dageraad!

Ik wil sterven als gisteren!

Lorca heeft veel poëzie geschreven, maar zijn magnum opus is ongetwijfeld Romanero Gitano (‘Zigeunerromances’) uit 1928, een lofdicht op zijn geboortestreek, geïnspireerd op de volksliederen en -verhalen die hij kende. Dit werk is een monument geworden in de Spaanse literatuur. De gedichten zijn geen navertelde zigeunerliederen maar bewerkt en gestileerd in een poëtica die aanvankelijk nogal op het modernisme leunde maar later vrijer en romantischer werd. De achttien gedichten van Zigeunerromances, geschreven tussen 1924 en 1927, behandelen de thema’s liefde en dood. In de onderstaande strofen van ‘Romance van de zwarte smart’ is de pathetische hoofdpersoon Soledad Montoya rusteloos op zoek naar een geliefde:

De pikhouwelen van de hanen
graven zoekend naar de dageraad,
wanneer Soledad Montoya
de donkere berg afdaalt.
Geel koper haar lijf
dat geurt naar paard en schaduw.
Berookte aambeelden haar borsten
die ronde liederen jammeren.
Soledad: naar wie vraag je
zonder gezelschap, op dit uur?
Ik vraag naar wie ik wil,
trouwens wat gaat jou dat aan?

O smart van de zigeuners!
Klare smart en immer eenzaam.
O smart die diep verborgen stroomt
en dageraad die nimmer komt.

Lorca mag dan succesvol zijn geweest en geliefd bij het Spaanse publiek, dat wil niet zeggen dat hij een tweederangs schrijver was, zoals Salvador Dali datzelfde publiek wilde laten geloven. In toneelstuk Na verloop van vijf jaar uit 1931, over de impotentie van een jongeman (bij Lorca een metafoor voor homoseksualiteit) is te zien dat hij zijn Shakespeare kende:

BRUID: En was jij niet groter?
JONGEMAN: Nee, nee.
BRUID: Had jij geen flitsende lach over je als een reiger?
JONGEMAN: Nee.
BRUID: En speelde je niet rugby?
JONGEMAN: Nooit gedaan.
BRUID (hartstochtelijk): En mende je geen paard bij de manen, schoot je niet duizend fazanten op een dag?
JONGEMAN: Nooit.
BRUID: Dan… waarom kom je dan voor mij?

Met Salvador Dali had Lorca een ‘idylle’ die de naar aandacht snakkende schilder wel kon waarderen, maar die hem er niet van weerhield Zigeunerromances af te kraken en de seksuele avances van Lorca af te wijzen. Samen met Buñuel maakte hij een film: Un chien Andalou, waarin Lorca zichzelf afgebeeld zag als een ‘zigeunerdichter’, een Andalusische hond. Volgens biograaf Gibson was Buñuel jaloers op de aandacht die Lorca van Dali kreeg. Het valt niet uit te sluiten dat hij op deze manier wraak wilde nemen door zijn rivaal te betitelen als een zigeuner. Lorca begon daarop een affaire met de beeldhouwer Emilio Soriano Aladrén. Deze verhouding liep ook stuk en stortte Lorca in een mentale crisis. Hij ging zichzelf als een incompleet mens zien, een mislukte heteroseksueel, een ‘Adam met een onvruchtbare rib’:

Maar een andere, donkere Adam droomt
van een geslachtloze maan uit zaadloos steen
waaraan het kind van licht zich zal verbranden.

Uit ‘Ode aan Walt Whitman’

Deze regels schreef Lorca in Amerika, waarheen hij, op aanraden van zijn ouders, voor enkele maanden ter afleiding was vertrokken. Met name in New York raakte hij geschokt door de armoede en het harde kapitalisme. De muziek van zwarte Amerikanen trof hem dan ook recht in het hart, omdat hij verwantschap voelde met de muziek van de ‘zwarten van Andalusië’, de zigeuners:

Ach, Harlem! Ach, Harlem! Ach, Harlem!
Geen angst evenaart je verdrukte roden,
je bloed trillend in de donkere eclips,
je donkerrood geweld doofstom de in de schemer,
je grote Koning gevangene in portierslivrei.

Na een rondreis door New England, Cuba en Argentinië richtte Lorca, terug in Spanje, met overheidssubsidie een rondreizend toneelgezelschap op, La Barraca (‘De Kazerne’), dat voorstellingen gaf op afgelegen plaatsen. De subsidie kwam echter onder druk te staan door de invloed van nationalistische groeperingen die verkondigden dat het toneelgezelschap uit ‘Joodse marxisten’ bestond die met hun losbandige leefwijze de traditionele Spaanse waarden van gezin, kerk en staat ondermijnden.
Spanje was na de val van dictator Primo de Rivera in 1930 een republiek geworden. De rechtse, falangistische beweging voerde felle oppositie tegen ‘de communisten’ – de opmaat naar de verwoestende burgeroorlog. Na de moord op een rechtse politicus – toegeschreven aan het republikeinse Volksfront – kwam een klopjacht op gang op linkse activisten en intellectuelen. Lorca behoorde bij de eersten die gearresteerd werden. Hij werd op 18 augustus 1936 ergens in de buurt van het plaatsje Viznar bij Granada vermoord. Gibson schrijft dat pas na de dood van Franco openlijk over de dood van Lorca kon worden gesproken. Zijn lichaam is nooit teruggevonden.

Tijdens het Francoregime waren de geschriften van Lorca verboden. Pas in 1953 werd een gekuiste versie van zijn verzamelde werk – Obra’s completa’s – vrijgegeven.

In de jaren na de dood van Franco sloeg Spanje de weg in naar een stabiele democratie. Daarmee kwam de weg vrij voor eerherstel van een van Spanjes belangrijkste dichters. In Madrid (vreemd genoeg niet in Granada) staat een standbeeld van Lorca, terwijl in Granada zich het zomerhuis van de familie Lorca bevindt waarin de dichter een groot deel van zijn oeuvre schreef. Biograaf Gibson beschrijft de villa als ‘natuurlijk oprijzend uit de weelderige begroeiing die zijn witte muren omringt’. Toen ik er deze zomer zelf was, kon me ik dat alleen maar voorstellen, aangezien het huis door zijn ligging in een stadspark zijn landelijke karakter heeft verloren.

[Afbeelding 5, Huerta S. Vicente]

Voor Lorca was het een paradijs: ‘Vanuit zijn slaapkamer kon de dichter uitkijken over de velden tot aan de met sneeuw bedekte toppen van de Siërra Nevada, en aan de stadkant keek hij uit op het Alhambra. “Er is zoveel jasmijn en nachtschade in de tuin”, schreef hij, “dat we allemaal wakker worden met een zingende hoofdpijn”.’

Zingende hoofdpijn: Lorca’s situatie in een notendop. Een dichter in conflict met zijn seksualiteit, de onrechtvaardigheid in zijn land en zijn imago van ‘Andalusische hond’.

Het was de smart
zelf die zong
achter een glimlach.

 

 

Citaten: © Ian Gibson: Federico García Lorca. Biografie (Meulenhoff, 1998)
Vertaling: © Auke Leistra
Vertaling gedichten: © Bart Vonck

Afbeeldingen:

  1. © Erven Federico García Lorcan en/of de Fundación Federico García Lorca
  2. Rogier de Jong
  3. © Kostanieuws.com
  4. Rogier de Jong
  5. Rogier de Jong

Geplaatst in Column.