Wiel Kusters en Joep Bertrams – Alfabels

Een weerbarstig ABC van complexe verzen

door Kamiel Choi



Het bekende abecedarium van Rie Cramer is meer dan zeventig jaar oud. Veel mensen in Nederland zullen het scherpe ritme mee kunnen neuriën, en menigeen zal zich zelfs flarden tekst herinneren van dit stukje culturele erfgoed: A is een aapje, dat eet uit zijn poot, B is de bakker, die bakt voor ons brood. C is Charlotte, die drinkt chocolaad, D is de Dame, die drentelt op straat. Volgens Wikipedia werd het al gepubliceerd in 1936. Het metrum is aan dactylus: lang-kort-kort en werkt aanstekelijk, doordat de klemtoon in de tweede regel een plek opschuift. Het abecedarium van Rie Cramer heeft daaraan zijn muzikaliteit te danken.

Een abecedarium is een langer gedicht waarvan de versvoeten beginnen met de verschillende letters van het alfabet. Het bijbelboek Klaagliederen, evenals vele psalmen staan op alfabetische volgorde van de 22 letters van het Hebreeuwse alfabet. In Nederland stammen de oudste ABC-boekjes uit de 15e eeuw.

Wiel Kusters heeft nu een moderne versie uitgebracht, met illustraties van Joep Bertrams, die ook bekend is om zijn politieke spotprenten.

Alfabels bevat 26 gedichten, die beginnen met bijna exact de zinnen van Rie Cramer, hoewel het slotgedicht ‘Z is een zeeman, die zegt u vaarwel’ afwijkt van de originele versie die ik kon vinden, ‘Z is de zeeman, die wuift je vaarwel’. De grap is dat van de lollige kinderrijmpjes stuk voor stuk absurdistische, intelligente en moeilijke verzen zijn gemaakt, die qua taal een beetje doen denken aan de barokke stijl van de tien jaar geleden overleden Gerrit Komrij.

Neem de A van aapje:

A is een aapje, dat eet uit zijn poot

A is geen aapje, hij geeft mij een hand,
ver in ‘t verleden, maar lang is mijn arm.
Het is vooral een beenderenverband,
al houdt Charles Darwin de bloedlijnen warm.

Geen aap heeft jou of mij ooit mens genoemd.
Waar halen we een naamgever vandaan
die wij zelf niet zijn, die zich met ons verzoent
en zelfs ons dierlijk grommen wil verstaan?

Geluiden zijn geen klanken. Hoor de pen
die schrijft, het toetsenbord dat klikt,
de printer, hoe hij aanslaat en zacht zoemt.

Dat elke letter zich op klank beroemt,
maar pas een woordenreeks mijn zicht verschikt,
maakt van de A de adem die ik ben.

Op de illustratie is een dame te zien met wijd opengesperde mond en een aap die op haar tong staat. Het lekkere dactylusritme is na twee regels verdwenen, de lezer wordt afgeremd door een lastig woord als ‘beenderenverband’. Het lijkt even een jambische pentameter te worden (‘Geen aap heeft jou of mij ooit mens genoemd’) maar een regel verderop struikelt het weer.

Even ondoordringbaar als de muzikale complexiteit van dit gedicht is de betekenis. De laatste strofe lijkt een gecomprimeerde taalfilosofie te bevatten, maar ik denk dat het een ijdele oefening is om die op deze plek te reconstrueren. Wil de dichter El aleph van Jorge Luis Borges dunnetjes overdoen, of moet de royale dosis obscurantisme dat aan de kapstok van het kinderrijm is gehangen leiden tot hilariteit alom?

Waar Kusters zeer losjes lijkt om te gaan met het ritme, al is hij door een recensent van de Poëziekrant ‘een van onze meest muzikale dichters’ genoemd, volgen de meeste gedichten een strak rijmschema. Neem bijvoorbeeld het Nestje dat Nicolaas vindt:

Wat is er anders treurig aan een nest
dan dat je het verlaat, verliest, maar nooit
vergeet. Altijd meer en minder dan een rest.
Je was niet vrij, maar evenmin gekooid.

Het rijm lijkt hier afgedongen of opgedrongen, niet ongedwongen zoals verzen soms meanderen wanneer ze worden meegezongen. Ik neem aan dat dit bij een ervaren auteur als Kusters allemaal doordacht is.

Een paar voorbeelden van spitsvondigheden die je meerdere keren moet lezen vooraleer je ze begrijpt, en die iedere Rie Cramerfan zullen afremmen:

Geen draaiing kan de stilstand ooit verzieken
die in beweging rust als ongemak.
Mijn rechte lijn blijft hangen in de bocht.
Wat niet bestond, kan altijd weer ontstaan,
als niets zich tot het eeuwige herleidt
omdat het lijden ons het sterven niet verbood.

De gedichten in Alfabels zijn erg moeilijk te doorgronden en het spook van rijmdwang waart door de bundel. De bundel is beslist muzikaal, maar het is niet de muzikaliteit van Mozart of Mendelssohn, eerder die van de late Schönberg. Het ritme loopt vaak lekker, maar de lezer wordt afgeremd door de onvoorspelbare wendingen en de soms gedwongen omgang met rijm. De auteur heeft geprobeerd om verzen te produceren met poëtische weerbarstigheid, wat resulteert in de absurdistische constellaties die iemand voor zijn ogen ziet zweven wanneer hij Rie Cramers ABC knetterstoned leest.

Achterin de bundel staat een toegift, geïnspireerd op het beroemde gedicht over tuinman en de dood in Isfahaan van P. N. van Eyck. Het is een memento mori dat de bundel lijkt samen te vatten. Was het de bedoeling om doorwrochte verzen te creëren die niet licht doorgrond kunnen worden, die niet te reduceren zijn tot simpele leuzen, en aldus door de tijd het laatst worden verzwolgen.

Geïnspireerd door de rijmkunsten van dit bundeltje, wil ik de gedichten vergelijken met karamelsnoepjes, zoals je die in Rie Cramers tijd kon kopen, van het soort waar een prachtig woord voor bestaat: babeluttes.

V is een vers, weerbarstig en rond
dat smelt in je hand, maar niet in je mond.

­­­____

Wiel Kusters en Joep Bertrams (2022). Alfabels. PoëzieCentrum, 64 blz. € 20,99  ISBN 9789056552503

Geplaatst in Recensies.