Interview met Frank Diamand

‘Ik ben tevreden als mijn gedichten het leven dragelijker kunnen maken, al is het maar voor een paar lezers’

door Mirthe Smeets

De jeugd van Frank Diamand (1939, Amsterdam) stond in het teken van de oorlog. Frank werd in september 1944 met zijn ouders vanuit Westerbork met de laatste trein naar Bergen-Belsen gedeporteerd. Tegen het eind van de oorlog, april 1945, werden van daaruit drie treinen met zogenaamde ruiljoden (Joden die mogelijk tegen Duitse krijgsgevangenen geruild konden worden) richting Theresienstadt gestuurd. Hij zat met zijn ouders in één van die treinen die door de Amerikanen werden bevrijd.
Na het gymnasium studeerde hij een paar jaar wiskunde en rechten. Daarna was hij werkzaam in de journalistiek: Eerst als rechtbankverslaggever voor provinciale bladen, later voor kranten, als het Nieuw Israëlitisch Weekblad en Vrij Nederland. Voor die laatste krant schreef hij interviews met grote schrijvers als Canetti, Max Brod en Hans Magnus Enzensberger.
In 1967-1968 volgde Diamand een regieopleiding en tot 1987 was hijregisseur/producer bij de VARA-tv. Daarna freelance regisseur voor IKON, RVU, de Humanistische en de Joodse Omroep.
Daarnaast is Frank Diamand al sinds 1966 zichtbaar als dichter. Een overzicht volgt na het interview.

foto Yoram Diamand

 

Ik zie heel wat schrijnende taferelen in je gedichten terugkeren, vol angst en pijn. Toch zijn zo ook telkens zo nuchter, beeldend. Heeft jouw carrière als filmmaker invloed op deze manier van registreren en weergeven, denk je?
Dat mijn gedichten beeldend zijn zal vast van alles te maken hebben met het feit dat ik als filmmaker dus een ogen-mens ben. Iemand die constant kijkt en dat gaat zelfs terug tot mij als kind van vier, vijf in het kamp. Ik liep steeds maar rond en ik keek en ik heb de herinnering dat ik alles wist, maar of dat echt zo is is natuurlijk totaal onzeker.

Hoe ontstaat jouw werk?
Mijn gedichten ontstaan als er taal of gedachte in me opkomt. Dan laat ik alles waar ik mee bezig ben uit mijn handen vallen en geef me over aan de flow, want die is zo zeldzaam dat ie het karakter van iets heiligs krijgt. Dan schrijf ik alles op wat in me opkomt in de zekerheid dat ik niet verliefd zal worden op mijn eigen woorden en later wel weg zal flikkeren wat niet goed is.

Ik denk zelden na over hoe dat proces van schrijven gaat behalve als ik daar over word ondervraagd of als ik, wat soms gebeurt, word uitgenodigd om aan een universiteit een gastcollege te geven, bijvoorbeeld over writing the Holocaust’ of over het vertalen van eigen poëzie. Plus dat ik me in mijn laatste bundel Ik is een ander twee keer uitspreek over hoe mijn schrijven gaat. Eerst in het eerste van de twee vluchtelingengedichten:

Hoe dat zit? Gewoonlijk zo.
Taal kust de gedachte wakker
maar nu zeurt gedachte taal aan zijn kop:

en vervolgens in het gedicht

Sublimeren is.

Sublimeren is
ombuigen van nood.
Een deugd verzinnen
wanneer je die niet hebt.
Die ook gebruiken als het uitkomt.
Gekte, ziekte, verdriet, verlies
vertalen. In luisterrijke mallen
stollen laten.

Ziedaar de hele poëtica van een dichter die vooral denkt er geen te hebben. O ja, ik kwam er ook achter dat als het heel erg wordt, dat ik dan kinderliedjes als uitdrukkingsmiddel gebruik. Zie Over vluchtelingen en wat wij zien en voelen en Kinderliedje, dat is echt het ergste wat ik ooit heb geschreven:

Kinderliedje

Op een klein stationnetje
‘s morgens in de vroegte
stonden zeven wagentjes
netjes op een rij
vijf waren er voor Auschwitz
twee voor Bergen Belsen
was me dat een mazzeltje
hakke hakke puf puf
weg zijn wij.

Ondanks alle verdriet benoemen je gedichten vaak ook het alledaagse (na een erge gebeurtenis ga je toch aardappelsoep eten). Heb je wel eens gehoord van lezers dat ze moed haalden uit die praktische kant van jouw gedichten, naast alle diepgang en oog voor het donkere in het leven?
Ja. En zelfs voor mij overrompelende ervaringen. Ik heb een cyclus kanker-gedichten geschreven, die eerst in 2008 in een bibliofiele tweetalige (NL-Eng) uitgave verscheen onder de titel Dante’s Hel is geen vakantie folder, de Nederlandse kant werd later opgenomen in Ik is een ander. Dat kwam ter sprake bij mijn oncologe in een gesprek voorafgaand aan mijn chemotherapie. Ik stuurde haar die gedichten op en kreeg twee weken later een mailtje van haar terug dat ze de gedichten prachtig vond en de vrijheid had genomen om ze aan haar vader die ook uitgezaaide prostaatkanker heeft door te sturen en dat hij daar veel aan gehad had.

En eerder. Ik stuurde de acht naar het Engels vertaalde rouw-gedichten voor Evelien, mijn geliefde met wie ik de laatste 12 jaar van haar leven samen was en die zelfmoord had gepleegd, naar Saul Friedländer, de historicus van Nazi-Duitsland en de Joden, waar ik een film over heb gemaakt. Zijn vrouw Orna stuurde die gedichten door aan haar zeer oude vader. Haar moeder was toen net een jaar tevoren gestorven, maar haar vader rouwde alsof haar moeder gisteren was overleden en ook toen kwam het bericht terug dat haar vader veel aan mijn gedichten had gehad.

Op welk eigen werk ben je trots, waarom?
Ik houd gelukkig van veel van mijn gedichten. Van de vroege heb ik een heftige herinnering aan de voltooiing van De trein, het gedicht over mijn bevrijding. Ik was met Fieneke, mijn tweede vrouw en de kinderen op vakantie in Noord-Frankrijk, in het huis van mijn vriend de schilder Eduard Flor. Zij waren wandelen in het bos en ik zat te schrijven in dat huis waar Eduard veel mooie dingen had gemaakt. Ik zat aan een grote vierkanten eikenhouten tafel met een mooi fries als rand, keek uit op een vallei en de heuvel aan de andere kant ervan. Het begin en het eind van het gedicht bestonden al een tijd ongeveer, maar het midden ontbrak. In mijn map met krabbels zat ook, hoe dat er kwam mag Joost weten, het Kaddisj-gebed, het gebed voor de doden. Toen ik dat inpaste in het gedicht, was het eenvoudig om nog kleine verbeteringen aan de andere delen aan te brengen en was het klaar. Toen Fien en de kinderen terugkwamen was ik totaal euforisch.
Van latere gedichten lees ik Zo veel jaar na dato graag voor, mijn meest directe gedichten over het kamp (Bergen Belsen).

Van de gedichten voor E. waar ik als cyclus erg van houd, houd ik het meest van Foto. En van het nog niet gepubliceerde E.-gedicht Wennen lukt niet dat ik vorig jaar schreef drie dagen na haar verjaardag toen ze 70 zou zijn geworden als ze was blijven leven.

Wennen lukt niet

Ik kijk naar je foto en jammer als een kind
Zo iets doe je toch niet.
Het lijkt alsof je gisteren sprong, alsof
ik niet al twee jaar, negen maanden en zeven dagen
heb kunnen/moeten wennen aan het feit.

Foto’s bewijzen wat er is gebeurd.
Nee niet rechtstreeks. Hier kijk je naar The Lonely Planet,
heel tevreden op dat Portugese pleintje.
Schuin achter je een flappentap. Bewijs dat je ooit was
en dat je ging. Ik scheur nog dagelijks mijn kleren
een GIFje uit de lijst: een Jood die rouwt.

En in mijn hoofd zeurt nu al dagen
All we are saying is give peace a chance.
Je kon niet, je geduld was op, je wanhoop
stervensgroot.

En dan mijn associatie:
De pauwenveer, die Seamus Heaney vond.
Hij wandelde met vrienden. Ging gauw terug naar huis.
Voltooide een gedicht, een doopgeschenk
en liet het in het voorbijgaan achter voor zijn nichtje
als die veer in het gras. Die lichtheid
van die grote dichter, die ik oprecht benijd.
Bij mij is alles plat en pijnlijk. E. overlijdt.

Van Hoe dat moet loslaten en bewaren tegelijkertijd? heb ik een zwak voor Gepruttel na de breuk om de draai van de laatste twee regels aan het eind van een boos gedicht:

Een verwend nest ben je
maar o wat kan je zoenen.

Je vertelde dat je ook met vrienden over je gedichten praat. Waar heb je het dan over?
Gisteravond las ik twee gedichten van mezelf aan een vriend voor. Over één zei ik dat ik het zelf geen goed gedicht vond. Het andere gedicht vond ik zelf wel goed. Mijn vriend vroeg: ‘Wat maakt een gedicht goed?’ Een vraag die overigens in Meander, als rubriek bestaat en vaak mooie antwoorden oplevert. Zonder aarzeling antwoordde ik ‘Transcendentie, een gedicht moet de maker ervan overstijgen.’

Welk gedicht vond jouw geliefde, Evelien, erg mooi?
Evelien hield van De Trein en van Ochtendritueel dat door Martijn Padding op muziek gezet was, bezetting sopraan, piano en (alt)fluit. Daarover zei ze twee weken voor haar dood dat ze een traantje had moeten wegvegen, toen ze het mijn dochter Lara had horen zingen.

Je vertelde dat je bij een herdenking van Evelien in de Academische Club gedichten voorleest. Kun je daar meer over vertellen?
Bart Wallet, de nieuwe hoogleraar Moderne Joodse geschiedenis, sprak daar over het gemis van Eveliens stem in het antisemitisme debat en ik over het gemis van haar stem in ons persoonlijk debat. Ik las gedichten voor en over haar. Dat vind ik belangrijk.

Weet je nog om welke reden je ooit begon met dichten? En wat is nu de noodzaak ervan?
Op de middelbare school hielden wij, een paar intellectuele vrienden, een soort van wedstrijdje wie het beste sonnet kon schrijven. Ik weet dat ik Shakespeares sonnetten las toen ik 13 was, dus ik wist hoe het moest. Later werd schrijven gehoorzaamheid aan taal en gedachte die in mij op komt.

Wat hoop je als dichter te bereiken of na te laten? Heb je een bepaald ideaal?
Weer zoiets waar ik nooit over heb nagedacht, Mirthe. Ik hoop dat mijn gedichten, net als gedichten van andere dichters voor mij en net als muziek, het leven draagbaarder kunnen maken. Al is het maar voor een paar lezers. Het liefst bereik ik vele mensen natuurlijk.

Werk je momenteel naar een bundel toe? Hoe pak je dat aan? Bedenk je eerst het thema of bedenk je die als de gedichten af zijn?
Ik werk niet aan een bundel, ik schrijf gedichten. Als er zo veel zijn dat ze in de weg gaan zitten als ze niet gebundeld en uitgegeven worden, probeer ik ze te ordenen, vraag soms een aantal van mijn vaste eerste lezers om advies.          
Er zijn natuurlijk cycli, die overduidelijk bij elkaar horen zoals de kankergedichten of de gedichten van Hoe dat moet loslaten en bewaren tegelijkertijd? en die er om vragen als aparte kleine bibliofiele bundels te worden uitgegeven terwijl ze later in mijn eerstvolgende reguliere bundel worden opgenomen.

Praat je wel eens met mededichters, over de aanpak van hun bundel of schrijfproces?
Ik heb nooit met de dichters met wie ik bevriend was over hun methode van werken of ordenen gesproken. Ik was goed bevriend met Bert Schierbeek, helaas dood, met Hans ten Berge toen hij nog in Amsterdam woonde, met Carla Bogaards, een vriendschap die helaas is opgedroogd. Ik ben bevriend met de Griekse dichter Christos Tsiamis, die ik op het Internationale Poëzie Festival in Nicaragua leerde kennen, met de in Nederland wonende Uruguayaanse dichter Ramon Haniotis en, zij het niet close met de Chileense dichter Juan Heinsohn Huala, met George Moorman, Florence Tonk en Sasja Janssen.
Van Dylan Thomas heb ik geleerd te durven zingen met taal.

Wat zou je jonge dichters aanraden?
Luister naar je innerlijke stem. Schrijf alles op wat je invalt. Wees later streng tegen alle onzin die je inviel. Heb geduld met je zelf.

 

In 1966 debuteerde Frank Diamand met Cybernetica in De Gids. In 1986 verscheen de debuutbundel van Diamand, genaamd Wie wil er nu met Hitler in de tobbe? (Van Gennep, Amsterdam 1986).
Gevolgd door:

  • uit Het Centraal Museum van het gevoel. Gedichten (Van Gennep, Amsterdam 1989)
  • 36 Poems (vertaald door Gabrielle Lin Friedman; Essential Arts, Amsterdam 2003)
  • Dante’s hel is geen vakantiefolder / Dante’s Inferno is no holiday brochure (tweetalige bibliofiele uitgave van 10 kanker-gedichten, vertaald door Roger Cliffe-Thompson samen met de auteur; Essential Arts, Amsterdam 2007)
  • La vida color de hormigas (27 gedichten in het Spaans vertaald ter gelegenheid van Diamands deelname aan Poetry Festival VIII in Granada, Nicaragua; vertalingen Bert Janssens en de auteur met hulp van Perla Sepúlveda; Essential Arts, Amsterdam 2012)
  • En iedereen doet me aan iemand anders denken (Amphora Books, Amsterdam 2013)
  • Ik is een ander (Amphora Books, Amsterdam 2019)

 

Geplaatst in Interviews.