Zijn eerste werkelijke gedicht

door Hans Franse

 

Pieter Cornelisz. Hooft groeide op in een stad die volledig in verandering was. Door de val van Antwerpen was de reeds door Filips van Bourgondië als veelbelovend herkende kleine havenstad in een uniek proces beland: Amsterdam zou, mede door toestroom van kennis en kapitaal, groeien tot een belangrijke handelsstad en een tolerant cultuurcentrum: een magneet voor schrijvers die de vrijheid van drukpers benutten. De rederijkerskamer ‘De Egelantie’r ontwikkelde zich tot een culturele groeikern waar al het nieuwe op literair gebied onderzocht werd. Vooral werd de ontwikkeling van een beschaafde taal gestimuleerd. Spieghel en Roemer Visser schreven de’ Twespraeck van de Nederduytsche Letterkunst’ over de ontwikkeling van de moedertaal die in de plaats zou komen van de soms boerse dialecten. Ook Pieter was lid van die rederijkerskamer, de poëtisch begaafde jongen (hij schreef al op vroege leeftijd een toneelstuk) kreeg de aandacht voor taal mee. Men streefde ook naar een algemene beschaving door ‘Wellevensconsten’, Amsterdammers moesten beschaafd worden en internationaal kunnen functioneren.

Als Pieter 17 jaar is stuurt zijn vader hem op reis naar Frankrijk en Italië: ongetwijfeld vanwege de handel, maar ook vanwege dat vormingsideaal van wellevend mens.
Het bestuderen van dichter en prozaschrijver P.C. Hooft is niet mogelijk zonder Italië erbij te betrekken. Zijn verblijf daar heeft zijn dichterschap niet bepaald, maar wel het grote lyrische talent laten groeien in de confrontatie met de schoonheid van het volwassen rijke Toscaans in een periode dat het Nederlands een cultuurtaal werd. Ook zijn magistraal proza is zonder Italië ondenkbaar.
Pieter was geen handelsman. Zal hij het naar zijn zin gehad hebben op de comptoirs? Hij blijft wel maanden in Florence, maar bezoekt de handelsstad Livorno, waar veel Hollandse schepen lagen, maar één dag. Was hij meer met poëzie en taal bezig?

Hij kwam via Genua en het mooie Padua in Venetië, de zee-republiek waaraan Amsterdam zich spiegelde; de prachtige stad zal indruk op hem gemaakt hebben. Hij verbleef bij Francesco Vriendt in de parochie van Santa Maria Formosa, vlakbij de San Marco, een rijke Nederlandse koopman met veel relaties en een buitenhuis op het eiland Murano.
De prachtig geklede jonge mensen vierden op dat toen nog niet zo industriële eiland de zomer met eten en wijn uit de Veneto. Pieter ontmoet een Antwerps meisje, Isabella Hoens, dochter van de puissant rijke Cornelius Hoens. Ze flirten. Staande bij de lagune moet hij haar overtuigd hebben van zijn gevoelens. Heeft hij ook met haar geroeid op de Brinta langs de buitens van Palladio? Het moet van beide kanten hevig zijn geweest; als Pieter naar Rome en Napels vertrekt, belooft zij hem achterna te reizen: een onmogelijke belofte, vrouwen konden niet alleen reizen.

De verliefde jongeling vertrekt naar Rome en Napels, maar blijft op de terugweg nog drie maanden in Florencehij , waar alles gebeurt op cultureel gebied. Zowel in Rome als in Florence heeft hij hartstochtelijk gelezen. Hij ervaart dat Petrarca leeft bij de lezers; hij proeft de taal en ontdekt de erotiek, verborgen in de poëzie van de Italiaanse dichters. Heeft hij ook Marcus Aurelius gelezen, de stoïcijnse keizer die zijn leven in dienst stelde van zijn plicht als magistraat en verdriet en lot aan elkaar koppelde en in korte heldere gedachten noteerde? Hij zag en hoorde pastorale spelen met de zoetvloeiende liederen en was misschien een der toeschouwers bij de tweede opera die ooit geschreven werd in 1600:  ‘Euridice’ op muziek van Caccini en Giacopo Peri. De Florentijnse levenskunst en plezier inspireren hem tot een rijmbrief aan zijn medeleden van’ De Egelantier’, waarin hij over de schoonheid van de taal zingt. De jonge taalgevoelige lyricus nam zich voor zijn eigen taal zo soepel en mooi te maken als het Toscaans.

Isabelle had hem geschreven dat zij niet naar Rome kan komen, maar vraagt hem terug te komen om ‘de beslissing te nemen die u behaagt’ ( quel résolution qui vous plaira..’) Ze sluit twee Minnesonnetten in. Hooft, hoewel hij misschien toch wat lang in Florence verwijlt en het einde van de grote feesten afwacht, komt verliefd terug, maar vindt haar liefde bekoeld. Misschien vanwege financiële verschillen? Hij zal, gekwetst, door de avondlijke stad gelopen hebben tot bij de donkere lagune. Hij schrijft een liefdesgedicht: ‘Chanson à madame’ en dateert het:’ In Venetia. 1601.’ Het is zijn eerste zeer persoonlijke gedicht. Volgens zijn biograaf van Tricht zijn ‘eerste werkelijke’. Geschreven op een bestaande melodie ontwikkelt hij een vloeiende melodische lijn.
Het is een liefdesklacht van een groot dichter in een Nederlands, mooi, zuiver, maar geresigneerd. Zijn verwoording is aangeblazen met Italiaanse adem en zijn persoonlijk taalkundig meesterschap.
Hij bewaarde het briefje van Isabelle zijn hele leven, twee huwelijken, lang. Het bewijst dat het om een (te) persoonlijk gedicht ging. Hij was twintig jaar toen hij dit schreef. Bij de eerste publicatie voegde hij een strofe toe over een Diego in de Pyreneeën die zich deze liefde herinnert. Hij maskeerde zichzelf. Toen hij met Christina van Erp was getrouwd, verdween Diego weer naar de Pyreneeën. De getrouwde magistraat was veilig.
Eigenlijk zou het gedicht helemaal geciteerd moeten worden, maar een column is daar niet de juiste plaats voor. Ik beperk me tot de twee laatste strofes:

Ver uit de straten eng en woelige kanalen,
Als ’s nachts slaap’rige wind de zee zacht overweit,
Ik op de stille vloed mijn klachten zal verhalen,
Die niets en antwoordt dan ‘tgeen dat men zelve zeit.

Een visser die ’t verstaat, terwijl hij legt zijn lagen,
Zal zeggen, na mijn dood, al waar’ zijn hart versteend:
‘Alhier is ’t waar de arme minnaar placht te klagen,
Die nu in Pluto’s hof zijn avontuur beweent’.

 

Hooft is een renaissancedichter geworden. Onze Petrarca en Ronsard tegelijk, groots in zijn sonnetten, lyrisch in zijn liederen, maar heeft nog slechts twee maal deze geresigneerde zeer persoonlijke poëtische toon gevonden: bij de dood (zelfmoord?) van Brechtje Spieghel: ’t Zal nimmermeer gebeuren….’ en zijn gebeeldhouwde lyrische klacht als volwassen dichter over de angst van Amalia van Solms om Frederik Hendrik tijdens het beleg van ’s Hertogenbosch in 1629.

Ooit was ik in Venetië. Het was er regenachtig en winderig. We zouden eten met vrienden. De avond viel vroeg en we liepen vanaf de lagune de stad in. In de vroege duisternis onder een maan en jagende wolken kwamen er op momenten wilde golven omhoog. Het was onheilspellend. Na afloop van het lange ‘cena’ bracht mijn vriend Andrea, die de stad door en door kent, ons naar de bus. Ik liep achter hem aan door een erg donker Venetië, hij koos de kortste weg, langs grachtjes die ik niet kende, straten en stegen, soms zo smal dat de paraplu er niet door heen kon. Ik zag wat Hooft had gezien en voelde bijna zijn verdriet mee.

 

 

foto’s Venetië (c) Hans Franse

Geplaatst in Column.