Een landjonker 1970

door Hans Franse

 

De mooiste uren in mijn zwervend bestaan waren die als ik in lente of herfst door de mooiere streken van het land kon reizen. Op de grens van het licht rustte ik in Zaltbommel om daarna over de wallen van dat stadje van Maarten van Rossum te lopen. Soms trok ik door Limburg en citeerde in de auto hardop Jan Engelman en Pierre Kemp. Daar at ik in de forellenkwekerij in Gulpen of in Maastricht in ‘Au coin des bons enfants’ of ‘Het plenkske’ waar ik ‘unnensop mei zoer vleis’ leerde eten van de directeur van de Stedelijke Jeugdraad, om daarna op mijn gemak door de luisterrijke stad te wandelen.

Het liefst trok ik door de Achterhoek, mijn favoriete landschap. Vanaf Zutphen tot Deventer langs de IJssel, een van de allermooiste gedeelten van ons land. Langs Doesburg en Bronckhorst, langs Hoog en Laag-Keppel tot Dinxperlo. En dan ergens met een dorpsarchitect fazant met zuurkool eten in een boerenrestaurant of in ‘de Hoofdige Boer’ in Almen. Daar kon ik op mijn kennis van de Nederlandse literatuur terugvallen, want de regel ‘Elk weet waar t Almens kerkje staat,/ elk kent den weg die derwaart gaat’ speelde door mijn hoofd. Ik ontmoette in feite Staring, Anthonie Christiaan Winand Staring, de romantische dichter-verteller, landbouwkundige, landjonker en taalkundige. Toen ik veel in Zutphen, een prachtig stadje, moest werken zag ik in het museum zijn bureau en zijn werkkamer, las nog eens het verhaal over ‘Jaromir in Zutphen’ naast ‘Jaromir in Lochem’. En toen moest ik naar Vorden, de gemeente met de vele kastelen.

Ik was wat vroeger, het was een prachtige lentedag, jong ontluikend groen, badend in dat hele speciale licht en dan de rust, de grote rust, in de Achterhoek. En voor ik het wist stond ik voor de Wildenborch, het landhuis waar Staring woonde, midden in een bosgebied, met een forse Donjon op het 18eeuwse huis waar een groot parkachtig gebied omheen lag. Het werd afgesloten door een hek. De poort was indrukwekkend. Ik zette de auto aan de kant en wandelde naar het hek van het landgoed, in mijn gedachten naarstig naar een passend citaat zoekend. Op het naambordje naast de gesloten poort las ik de naam van de bewoner: Mr. A. Staring. ‘De Wildenborch’ was dus nog steeds in de familie.

Gefascineerd door al die ervaringen in de Achterhoek die steeds uitkwamen op de dichter Staring, de romanticus, onze Joseph Freiherr von Eichendorff, schreef ik een briefje naar de eigenaar van de Wildenborch, legde uit wie ik was en vroeg of hij bereid was mij eens te ontvangen: ik zou graag de sfeer voelen. Ik kreeg snel een antwoord. Ik was welkom, al was het huis niet meer zoals zijn betovergrootvader het had gesticht.

Met dochter en vrouw reisde ik naar Vorden en we werden hartelijk ontvangen door Mr. Adolph Staring en zijn vrouw, mevrouw Staring-de Mol van Otterloo. We dronken koffie in de tuinkamer die op het zuiden lag, een achttiende-eeuwse noviteit, door de dichter nog zelf uitgewerkt. Mijnheer Staring vertelde mij iets over de geschiedenis van het buiten, hoe het, ondanks groot verdriet daarover, toch geen familiebezit bleef. Het was ook nog een Christelijk rust- en conferentieoord geweest tot 1931, waarna mr. Staring het kocht en gebouw, bijgebouwen, maar vooral de tuin, ontwikkeld tijdens de omslag van klassieke tuinen naar de romantische Engelse tuin, in oude luister terugbracht. Hij vertelde ook dat het zwaar was het bezit te onderhouden. Maar hij meende zo eer te doen aan zijn betovergrootvader. Daarna liepen mr. Staring en wij door het landgoed. Hij in een plusfour, een tweedjasje, een Engelse tweed pet en een wandelstok en ik in een wat ongemakkelijk net pak: je kon bij een landjonker toch niet als welzijnswerker aankomen: het feit dat ik lange haren had en een baard maakte mij op zich al anders.

Het was een prachtige wandeling en ik heb erg veel geleerd: het Engelse landschapspark van de Romantiek mengde zich met de klassieke tuin: eigenlijk op de Wildenborch een mengvorm, maar overal waaide de geur van hars, van groen, van dennenappels. Net bezig met het schrijven van de geschiedenis van de tuinaanleg in Nederland, op verzoek van een instelling voor schriftelijk onderwijs uit Arnhem, kon ik mij geen betere realiteitsbibliotheek voorstellen. Ik zag de dichter, die in Göttingen in bosbouw was afgestudeerd, schouwend en keurend over zijn landgoed rondlopen, wikkend en wegend wat en hoe het bos ontwikkeld moest worden. Hij moet ook de geur hebben opgesnoven van het bos en de velden eromheen waar de oogst in de zon blakerde.

Later in het huis bij een grote schouw zag ik de dichter zitten aan een flakkerend haardvuur gedurende de lange winteravonden, Horatius lezend- hij bewonderde deze Romeinse verteller-of zijn eigen verhalen vertellend over Jaromir, over het vogelschieten, over de hoofdige boer uit Almen, over Ada van Holland. Misschien heeft hij bij de vijver wel dat prachtige lyrische gedicht geschreven ‘Wij schuilden onder het dropp’lend lover gedooken aan een plas…. ‘Singulier dit gedicht’ zei mijn poëziedocent, die zoveel poëzie uit zijn hoofd kende en te pas en onpas declameerde.

Ik was op dat moment blij met mijn nieuwe beroep en even blij met mijn opleiding. Couperus ontmoet (en lees je) in Den Haag of Italië, Staring vind je in de Achterhoek, vooral op de Wildenborch in Vorden.

Na de dood van mr. Adolph Staring werd het landgoed vervreemd. Toen ik ter gelegenheid van de verjaardag van mijn vrouw door Lochem fietste en later de Wildenborch zag, zag ik dat er weer een Staring in woonde. En dat deed mij goed.

 

foto’s (c)

Geplaatst in Column.