Gorter, luminist

door Hans Puper
met medewerking van Piet Buunk

Monet, ‘Populieren op de oever van de Epte’. 1891

Herman Gorter werd en wordt nogal eens een luminist genoemd – iemand die licht en kleur tot thema van zijn werk maakt. Over Mei (1889) schreef hij aan Kloos: ‘Wat het ding zelf betreft: ik heb iets willen maken van niets dan schittering en zonschijn. […] Maar de hoofdzaak was: het licht en het vlammen er van. Het vlamde in mijn gedachten.’ En aan zijn oom schrijft hij een paar dagen later: ‘Wat nu het ding zelf betreft, ik heb iets willen maken van heel veel licht en met een mooie klank, verder niets. Er loopt een geschiedenis door, en er zit een beetje philosophie in, maar dat is om zoo te zeggen bij ongeluk.’ Of hij dit laatste meende, is zeer de vraag, maar dat het licht voor hem van een hoofdzaak was, staat vast. Opvallend is, dat Nescio in een terugblik hetzelfde zei. Zijn novellen en verhalen waren voertuigen voor beschrijvingen van (met name) zomerlicht en kleur, die zo intensief konden zijn, dat er sprake was van vereenzelviging. Het omvangrijke Natuurdagboek, ontstaan na de lange fietstochten die hij na zijn pensionering vanuit Amsterdam ondernam, bestaat uitsluitend uit zulke beschrijvingen. Verhalen had hij niet meer nodig.
Gorter maakte een vergelijkbare ontwikkeling door, maar veel sneller: in 1890 verscheen zijn opzienbarende bundel Verzen en hierin vind je geen enkel gedicht meer ‘met een beetje philosophie’. ‘Het gaat om de emoties, zoals die door impressies gewekt worden, en om hun adequate, dat is zo onmiddellijk mogelijke vormgeving. Die vorm moet zo dicht mogelijk bij de inhoud staan’, schreef Enno Endt in het nawoord bij de derde druk van Verzen. Geen gedicht – het zijn er 86 – zonder licht en kleur, met name goud, rood en zwart. En ook zijn impressies zijn intensief en beeldend, zie bijvoorbeeld de bekende strofe

De lente komt van ver, ik hoor hem komen
en de boomen hooren, de hooge trilboomen,
en de hooge luchten, de hemelluchten,
de tintellichtluchten, de blauwenwitluchten,
trilluchten.

Die impressies en emoties zijn strikt individueel. Het was in zijn commentaar op Verzen dat Kloos zijn beroemde uitspraak deed: ‘Kunst is de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie’.

Het luminisme van Gorter kwam niet uit de lucht vallen. In de tweede helft van de 19e eeuw ontstonden nieuwe schilderwijzen, onder andere door de uitvinding van verftubes, waardoor je buiten kon werken als je dat wilde. Schilders als Monet, Sisley, Pisarro en in Nederland Isaac Israëls en Breitner legden hun visuele impressies van licht en kleur vast op het doek, net als Gorter deed in poëzie. Breitner verschilt nogal van de anderen, omdat hij sterk was beïnvloed door de Nederlandse weertypen. Gorter hield van beeldende kunst. We weten bijvoorbeeld dat hij een groot fan was van Van Gogh. Hij heeft zelfs een tijd een vroeg werk van hem in zijn bezit gehad: ‘Onkruid verbrandende boer’ uit 1883. Het licht, hoe schaars ook, speelt daarin een belangrijke rol, misschien wel de hoofdrol.

Over dit schilderij schreef Van Gogh aan zijn broer Theo: ‘Ziehier een paar avond effekten – ik zit nog steeds op dat onkruidverbrandertje, dat ik wat toon aangaat in een geschilderde studie beter heb dan vroeger, zóó dat het meer de grootheid der vlakte en het vallen van den avond geeft en ’t vuurtje ’t eenige lichtstipje is met ietwat rook. Ik ging er telkens ‘s avonds voor buiten kijken.’
‘Avond effekten’: daar ging het om.
Gorter was van het momentane, het onmiddellijke. Maar hij zou na lezing van deze passage ongetwijfeld instemmend hebben geknikt. Nescio ook.

Het schilderij ‘Vrouw met parasol gedraaid naar links’ (1886) van Monet zou je zo op het omslag van een nieuwe druk van Verzen kunnen zetten:

Ik heb er ook een gedicht uit de bundel bij:

Gebenedijde –
Meisje gebenedijde
van ‘t licht, van ‘t ope wijde wijde.
Hoe zoet de lichtwolken zich aan u spreiden,
hoe stil de lichte’ uw oogen in, uit, glijden,
parelt uw keel in, uit, het luchtgetijde,
witbladige in ‘t ope wijde wijde,
gebenedijde,
gebenedijde.

En bij ‘Het Singel bij de hoek Paleisstraat, Amsterdam’ (ongeveer 1897) van Breitner denk ik aan de eerste strofe van Ik liep ’s avonds door mijne stad:

Ik liep ‘s avonds door mijne stad,
het water zwartvloerig, elk huis had
zich van boven tot onder met rouw behangen,
dat was zoo mijn verlangen.

Lees je Verzen, dan word je gevoeliger voor het licht. Of nog gevoeliger. Niet voor niets houd ik zo van de weidsheid van het Waddengebied, waarin het licht voortdurend verandert.

Er valt over deze bundel natuurlijk nog veel meer te vertellen, ik heb veel weggelaten: het sensitivisme en wat Gorter ervoer als sublieme ‘gestolde ogenblikken’, huiveringwekkend en van een overweldigende schoonheid tegelijkertijd. Daarover gaat de volgende column, ook in relatie tot de beeldende kunst.
_____

Piet Buunk is filosoof, historicus en docent beeldende kunst.
Bronnen:
Willem van den Bergh & Piet Couttenier, Alles is taal geworden. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1800 – 1900.
Verzen, de editie van 1890.
DBNL
Lieneke Frerichs, Nescio. Leven en werk van J.H.F. Grönloh
Brieven van Vincent van Gogh
Mei en Verzen zijn in hun geheel te lezen in DBNL
Geplaatst in Column.