Enno de Witt

Getogen aan de kust. Kocht bij boekhandel Van der Meer zijn eerste dichtbundels, van Deelder en Faverey, uit de zwartwitreeks van De Bezige Bij. Friese vrienden lazen in de Drentse ochtendschemer bier drinkend Groenboek. Poëzie heeft geen functie, doel of nut – en al helemaal niet maatschappelijk.  Poëzie is een onvermijdelijkheid.

foto Marry Dijkshoorn

 

Een bekeerling

Nadat ik viermaal tien en nog wat jaren in de wildernis zwierf,
ver van het glimmend zilver en de moderne machines beroerd
door de kundige handen van mijn tandarts – de warmte en geur
van haar nabije lichaam sussen mijn ooit zo benarde gemoed –

opende ik mijzelf voor haar en de wereld, gaf ik mijn sterfelijke
omhulsel aan de engelen en liet ik de geest vrij om op te stijgen
naar voorbij de vele zwaktes van het vlees, met achterlating van
wat mij eens zo dierbaar was, de zin van mijn miserabele bestaan.

Deze eeuwige cirkel doorbroken lig ik achterover, terwijl de tandarts
met tedere prikken in het tandvlees mijn gevoel bedwingt, brenger
van genade is zij, moderne techniek danst in haar vingers, zacht zoemen

de machines die zij met een handgebaar haar wil oplegt, een dompteur
is zij, koningin van nacht en sterren, zuiverend wit is haar licht, uit het
plafond ruist de engelenmuziek der sferen, hemels goud haar assistente.
Hijskranenkerkhof

Industrieland, dor de bollenvelden, ruisend stof fijner dan zand,
donkerder ook, grijs, nooit zon gevangen. Hijskranen roesten
achter een roestend hek, van de roestende kraanarmen waaien
doorgeroeste ijzeren kabels. Een rij winkels de ruiten tot matglas

geschuurd. Alles wat van ijzer is roest, deurknoppen, relingen,
fietsenrekken, klanten, achter etalages verborgen winkeldochters
(schep, emmer, vlieger). We staan op het hoogste windomwaaide
duin, drinken lauwe jenever, melkblanke huid waarin blauw aderen

schemeren, kistkalveren onze voeding, eens knooppunt van de wereld,
nu stapelplaats van onvermogen, kakelende zultgevulde varkenshoofden
boven hardbody’s, droge vagina’s laten zich naaien door kalende mannen.

We brengen mensenoffers – geen kwaad in de zin, niemand die ze zal missen –
en ergens bij Duitsland zit tegen zonsondergang de laatste boer op zijn illegale
trekker, dakgebint zonder zwaluwen, de laatste auto plet het laatste insect.

Voorts

Yousif, mijn kapper, vertelde me vandaag dat het
verre ruimteschip Voyager 2 in plaats van correcte
data terugzenden naar het Deep Space Network nu
sprak in tongen, een taal die niemand kon ontcijferen.

Dat was de dag voor mijn tocht naar de Noordzeekust,
naar de vervagende schim van mijn vader, aan het einde
of het begin van zijn reis, omdat alleen hij kan verstaan
en duiden wat zich afspeelt ver voorbij de uiterste randen.

 

Geplaatst in Gedichten.