Rob de Vos-prijs 2022 Eervolle vermelding (II)

De winnaars van de Rob de Vos-prijs 2022 zijn bekend en ook de eerste vier dichters die een eervolle vermelding van onze jury kregen. Het wedstrijdthema vindt u hier. Vandaag de laatste drie dichters die met hun gedicht genomineerd werden en een eervolle vermelding kregen. Met het vakkundige jurycommentaar bij de gedichten.


(Foto Jeroen Slemmer)

Maria Ros (1954) schrijft gedichten en korte verhalen en zij is lid van de Dordtse Dichters. Gedichten van haar werden gepubliceerd in literaire tijdschriften en in verzamelbundels. Ze treedt ook op met haar werk. In mei 2019 verscheen haar dichtbundel Ladders naar Lucht bij uitgeverij Liverse.

Steenarend

Graag wiek ik over het grensland
de Dnipro, grijs van vis
kerft contouren in vlaktes
geeft de steppe kleur
marmotten, hazen schieten weg
als ze mijn schaduw zien
ik verlang naar een zon
die alles zilvert.

Vandaag is hij omfloerst.
In de voorstad houtvuren
mensen hurken er omheen.
Vage geur van
koolsoep kringelt op, ik zwenk
door steenkoolgrauwe nevels
snak naar bekende kleuren
tarwegeel, purper.

Hoe vind ik mijn prooi tussen
inslagen en kruitdamp?
Vossen, muizen verbergen zich
de Dnipro dekt zijn vissen toe
mensen liggen roerloos
plassen, rood als borsjtj
mijn vleugels zoeken
gisteren.

Jurycommentaar Jeanine Hoedemakers

Dit gedicht heeft onmiddellijk mijn volle aandacht. De dichter koos ervoor om niet zelf te vertellen maar om dat een steenarend te laten doen. Dat vind ik een bijzonder geslaagde keuze. Die levert meer dan enkel fraaie beelden op. Dat ik aan Oekraïne en Rusland denk, is logisch. Oorlog heeft ook consequenties voor de natuur, lijkt Steenarend te vertellen. Ik herlees het gedicht meerdere malen en voel me zelfs even een vogel die boven het land zweeft. Als ik het gedicht naast het kunstwerk van Inge Bak leg, stel ik vast dat er sprake is van een sterke wisselwerking tussen het gedicht en het kunstwerk. Ze hebben onmiskenbaar een versterkend effect op elkaar. Vanwege het perspectief van de steenarend, kijk je vanuit de lucht naar het kunstwerk. Wat je ziet, zou de laag onder de woorden van het gedicht kunnen zijn, de verwoestende werking van oorlog. Door de laatste regel, ‘mijn vleugels zoeken gisteren,’ krijgt niet alleen het gedicht een aangrijpende extra lading, ook het kunstwerk krijgt er door de blik van de steenarend een dimensie bij.

________________________________________________________________________

Joost Wasser (1958) is in het dagelijks leven advocaat. Hij debuteerde op 18 jarige leeftijd met de bundel Een geheim in mijn mondholte. Zijn tweede bundel liet echter meer dan 40 jaar op zich wachten. In 2019 verscheen de bundel Schraal volk. Hij wordt regelmatig genomineerd voor zijn werk. In 2020 werd zijn gedicht ‘Het regende veel die tijd’ opgenomen in De Gedichtenwedstrijd top 100, maar door Meander tot één van de drie favoriete gedichten uitgeroepen.

Zachtjes op kousenvoeten schoof de nacht bij ons aan tafel,
brak het brood dat wij heel probeerden te houden en trok
langzaam het kleed naar zich toe, hulde zich met het laken,
dat onder de borden lag en waarmee wij later
ons tegen de kou hadden willen bedekken.

We keken toe, slechts toe, en deden niets, verbouwereerd
door het schijnsel van de lamp, dat wij eerder niet hadden gezien.
De stilte komt immers in het donker zonder dat
iemand daar het flauwste benul van heeft.

En het begon koud te worden. Waar eerst de warmte vochtig
aan het lijf plakte als een stille vriend, verkilde de lucht weldra
als een verraden jeugd, nam deze langzaam bezit van het hart,
en ieder – ieder voor zich – wachtte op wat komen zou.
Er kwam niets. De stilte bleef als een vergeten gast.

———–Als anderen zeggen dat de vogel fluit om niet stil te zijn,
———–jaagt om niet bejaagd te worden, en leeft om niet te sterven,
———–hebben ze misschien gelijk, maar dat betekent niet
———–dat dit alles is, wat er is.
———–En al wie verdrinkt, die haalt de ochtend niet, ziet de zon niet,
———–houdt zijn adem gevangen in zijn hand en laat dit keer de vissen ongemoeid.
———–En dan kan het best zo zijn, zoals anderen zeggen, dat het water klettert
———–in overvloed, de scherpe bergen slijpt, de beken vult en leven geeft.
———–Dat kan allemaal zo zijn, maar daar merk je binnen niets van.

Binnen vergrijst alleen het water stil in de glazen.
Zo was het die keer en de keren daarna.
Zo zal het altijd zijn.

Jurycommentaar Inge Bak

Een gedicht waarin de onomkeerbaarheid van een begin en een eind ‒ de beperkte houdbaarheid van een leven, een relatie, een landschap ‒ door iedere regel sluipt. Daar een eenzaamheid aan meegevend ‒ afscheid nemen heb je in je eentje te klaren. De dichter dwingt met zijn beelden, regellengte en het inspringen van een couplet, een trager leestempo af. Het is of hij zo lang mogelijk de slotregels uitstelt, daar de lezer voor wil behoeden ‒ en dat werkt goed. Haast beklemmend lees je door: je wilt het weten ‒ weet het ergens al ‒ maar ook weer niet.

Na meerdere keren lezen ‒ het is een gedicht dat meer en meer rijpt ‒ hoe dichter het bij jezelf als lezer komt te staan en de ervaring meegeeft dat ook jij hier niet aan kunt ontsnappen ‒ dat het ons allen aangaat, los van hoe persoonlijk de dichter het in vorm heeft gegoten.

De laatste strofe vat het gedicht heel mooi samen. Water dat stil in de glazen vergrijst ‒ de dichter zet een prachtig alleszeggend beeld neer. Het maakt dat die strofe ook opzichzelfstaand bestaansrecht heeft. ‘Binnen vergrijst alleen het water stil in de glazen. / Zo was het die keer en de keren daarna. / Zo zal het altijd zijn.’ Joost Wasser houdt een spiegel voor, en schijnt licht op datgene er vanbinnen leeft, in een berustende poëtische taal.

____________________________________________________________________-

Adrie Oudejans (1935) houdt zich vanaf 1995 serieus bezig met het schrijven van gedichten. Aanvankelijk alleen in vaste vorm, maar gaandeweg meer in vrije vorm. Regelmatig maakt hij een uitstapje naar light verse. Sinds 2009 is hij lid van het Alkmaars Dichtersgilde. In dit verband dragen de dichters beurtelings ook zelfgeschreven gedichten voor bij eenzame uitvaarten. Vorig jaar publiceerde wij van Adrie een sonnettenkrans.

KLEURENKRACHT

Als grijze gronden hun pigment
in wolken door mijn geest gaan malen,
mijn tint van denken gaan bepalen,
dan weet ik nog een element

waarin een helder kleuraccent
een koel domein tot warm kan stralen
en schaduwen naar licht vertalen
tot sprankelend arrangement.

Dat is mijn habitat. Ik laat er
de klare taal van kleurenpracht
het grijze argument weerleggen

en voel mij als een vis in water.
Gedragen door opwaartse kracht
hoor ik mij zacht eureka zeggen.

Jurycommentaar Hans Franse

Het sonnet ‘kleurenkracht’ geeft de invloed weer van kleur op een grijs moment, het weer, somberheid, in een sfeer van sombere motregen komt ineens de zon door, de kleuren lijken als nieuw, schaduwen worden naar licht vertaald: een sprankelend element.
De dichter heeft het in zijn tekst echter niet over die meteorologische omstandigheden maar over de ‘habitat’, een woord dat in het Nederlands op vele manieren omschreven kan worden.. Het gaat over een plek, een organisme, waarin je als mens jezelf kunt vinden. Die ’habitat’ ís dus het privé domein van de dichter, van waaruit hij met ‘de klare taal van kleurenpracht’ ( niet ‘zijn’ klare taal) het grijze, sombere argument weerlegt en, misschien al schrijvend, tenslotte gaat het om de klare taal, als ‘een vis in het water’ voelt. Hij treedt dus ‘taalbouwend’ uit en voelt zich vis wanend in literair water, de opwaartse kracht van de taal. Hij zegt:’Eureka’ (mijn Griekse leraar had het altijd over ‘heureka met een spiritus asper’) wat betekent: ik heb het gevonden. De taalhabitat heeft hem door de opwaartse kracht vanuit zijn eigen privéplek naar de kleur teruggebracht: het sombere is weerlegd.

De vorm is duidelijk: een sonnet, de rijmvorm is ABBA-ABBA-waarna CDE-CDE het slot vormt. Het ritme is interessant als je naar de structuur van het klassieke sonnet kijkt. Het zijn viervoetige jamben die nooit dreunend worden omdat er in het ‘octaaf’ (de eerste 8 regels) heel slimme enjambementen zitten die het ritme vloeiend maken. Als het sextet begint is er een duidelijke overgang, ook wel de ‘chute’  genoemd. Hij stopt de enjambementen en begint een korte zin met DAT ,waar een accent op ligt, waardoor de aandacht er op wordt gevestigd: lezer, let op, hier komt mijn persoonlijke visie. We vinden dat in de oersonnetten, de beschrijving in het octaaf, de persoonlijke verwerking in het sextet. Vervolgens maakt hij na deze zin een mooi enjambement ‘Ik laat er / de klare taal van kleurenpracht’, waardoor er ook nog een mooie alliteratie komt (er staan er meer in, maar deze past bij de ritmische opbouw van het gedicht). De laatste twee regels vormen een afsluitende, concluderende eenheid.

Geplaatst in Recensies, Rob de Vos-prijs.