Jane Leusink – Kraanvogels

To see or not to see

door Ivan Sacharov




Eén citaat laat soms meer zien dan duizend zelf bedachte woorden. ‘Zonder in het particuliere te vervallen, verbindt ze in een achttal lange, soms epische, dan weer lyrische gedichten persoonlijke geschiedenissen met universele vragen omtrent groei, dood en rouw’, lezen we achterop Kraanvogels, de zesde poëziebundel van Jane Leusink. En: ‘Kraanvogels staan voor waakzaamheid; in de Chinese traditie dragen ze op hun rug de zielen van de doden’. Ik citeer meteen ook maar uit het tweede lange gedicht met de titel: ‘De weg naar Andorra’, de proloog:

Proloog

Wij kraanvogels in de stilte van wiegende waakzaamheid
van bocht, van wolk, van het kapen van ruimte, drijven
metgezellen evenwijdig met ons mee, wij zien
naast ons de ander, zien haar die wij delen
met de blauwe lucht, waarin zij maar kort.

Zij haakt als laatste aan, kijkt hoe wij samen, neemt de vlucht
schuin omhoog daarna almaar rechtdoor laat ten slotte
los boven de lokkende bergen vol beloftevolle kuddes
blijft van zichzelf, een bries door de gaten van haar
aftandse spijkerbroek, zolang niets haar deert kan
men haar van ieder oord verdrijven ook waar
regens dreigen, schoten knallen

wie zal ooit weten of de gave adem van een meisje opstijgt
die van een late luchtvogel afdaalt naar de aarde
op zoek naar wenkende woorden, zij hoedde
haar tijd ook die heldere morgen niet
maar kon ontkomen –

Ik weet niet of deze regels helemaal begrepen kunnen worden zonder meer te weten over het leven van de schrijfster (en niet particulier zijn, zoals op het omslag van de bundel wordt beweerd). Wie is die ‘haar’, die gedeeld wordt met de blauwe lucht? Een lucht ‘waarin zij maar kort’. Dit is geen normaal afgemaakte zin, maar vooruit: hij is wel functioneel door zijn voortijdige punt (men zou achter deze punt het woord ‘was ‘, of het woord ‘is’ kunnen denken: afhankelijk van of het om een kortstondige aanwezigheid als mens gaat, of als (pure) ziel; degene om wie het gaat heeft maar kort geleefd en is nog niet zo lang dood, blijkbaar). Helaas wordt de taal er niet fraaier en universeler op. En dat geldt voor meer regels in dit gedicht. Zeker de tweede strofe bevat regels die ‘particulier’ aandoen: meer proza dan poëzie zou ik zeggen.
In de laatste strofe komt de poëzie overtuigender aan het woord en slaagt de dichter er beter in om het persoonlijke aan het universele te koppelen. Door over ‘een’ meisje te spreken wordt het al wat algemener, maar het is vooral het spel met de woorden ‘opstijgt’ en ‘afdaalt’ dat fraai wordt gespeeld. Niemand weet of de gave adem (de ziel?) van een (dood) meisje opstijgt naar de hemel, maar voor wie haar kent en achterblijft daalt die adem wél af naar de aarde op zoek naar ‘wenkende woorden’. Het is taal waaruit contact bestaat en wie zou niet nog eens willen spreken met een geliefde, die er niet meer is? Ook de laatste regels van het gedicht zijn mooi: ‘zij hoedde / haar tijd ook die heldere morgen niet / maar kon ontkomen’. Men lette op het woordje ‘ook’: deze regel had al betekenis toen zij nog leefde. Zij hoedde haar tijd al eerder niet! Trouwens, wie zou dat kunnen? Tijd laat zich niet als een schaapje leiden.

Hoe kwam ik bij deze interpretatie? Het gedicht – wordt duidelijk door aantekeningen achterin de bundel – heeft betrekking op de dochter van de schrijfster. Een dochter die in Zuid-Frankrijk tussen de kust en de Pyreneeën schapen hoedde en vroegtijdig aan kanker is overleden. In haar aantekeningen schrijft de dichter: ‘Na haar dood zocht ik naar afstand, taal’. En: ‘Nu weet ik: gebeurtenissen en verdriet vallen wonderlijk genoeg niet altijd samen. Je moet de doden naar je toeschrijven, opdat ze waarlijk in je kunnen opstaan en terug kunnen praten’. Eerst taal om in te vluchten; en daarna taal om te kunnen verwerken. Leusink lijkt al schrijvend (denkend?) haar stof te kauwen om tot haar bevindingen en soms fraaie woordcombinaties te komen. Voorbeelden uit andere gedichten: ‘(…) hart, doorboorde spier die zich maar / niet trainen liet’, en: ‘hopeloze hopers / die ook in de toekomst slechts herinneringen zien’. De weg naar deze bevindingen is soms wel wat alledaags en prozaïsch. Haar poëtische taal, die zeer pakkend kan zijn, onderbreekt zichzelf dan door beschrijvingen en wetenswaardigheden waarvan ik me afvraag of die wel in poëzie thuishoren. In poëzie zoals ik me die voorstel, wel te verstaan. Smaken verschillen natuurlijk. Niettemin: een interessante bundel. Waarom?

De schrijfster benoemt de vrijheidsdrang van haar dochter, en probeert zich in haar in te leven (aldus de aantekeningen). Ze spiegelt zich enigszins aan haar dochter, maar blijft – en dat is misschien de crux van deze bundel – op de rand van de door haar dochter nagestreefde vrijheid aarzelen. Houdt een ‘wiegende waakzaamheid’ haar tegen? Of is het haar denken? In het gedicht ‘Overwintering in een gerenoveerd stadsappartement’ leest ze op de betonnen sokkel van een pilaar van een skilift: ‘Knelschuh, willst du mich heiraten? ’. En dan schrijft ze: ‘Fouten, het zijn de steigers die de verbeeldingskracht stimuleren, zet ze op een voetstuk’. Beschrijft het citaat een fout? Moet je jezelf niet willen verbinden met iets dat knelt? We doen haast niet anders met onze gedachten en taal (de uitdaging voor een dichter is juist het knellen van taal). Het gedicht loopt verder uit op ‘denken over denken’, en ‘praten over praten’, en het ‘meta gaan’ van mensen die ‘kenners van hun eigen fouten worden’. Maar:

———–                   (…) hoe hunker je en hoe hou je de herinnering
aan het hunkeren vast? Hoe hou je gewicht op de wegvluchtende dalski?
Ik dacht aan de man met zijn lichaam achter het mijne, mijn ski’s

tussen zijn ski’s, armen om mijn middel, adem, zijn tanden, en dan was daar
die perfecte Schneepflug. Later voerden we met onze aangescherpte zintuigen
de lastigste verkenningen uit, hij leerde mij alles over afgronden inkijken.

Ik herinner me zo goed de sierlijke Parallelbogen waarmee hij afdaalde
onverwijld de zwartste piste nam. Tot die dagenraad. Mijn lichaam
herinnert zich alles, al die middagen, onze kraakheldere sporen in de sneeuw

de klare hemel en als een zucht van opluchting de snik waarmee ik
de volgende ochtend ontwaakte, mijn handen voor mijn mond geslagen
mijn mond die Knelschuh, Knelschuh, Knelschuh deed.

Ja, ‘hoe hunker je en hoe hou je de herinnering / aan het hunkeren vast? Hoe hou je gewicht op de wegvluchtende dalski?’. Herinneren is mooi, maar zwaarte, gewicht, komt van wat echt trekt. Afgronden worden gevoeld als ze worden ingekeken: als een uitdaging (de uitdaging van het ongewisse). Dat is hunkeren. Daarmee vergeleken is jezelf iets herinneren iets raars: iets als kijken naar een berg waar je geweest bent, maar nooit meer op zult komen (hoewel ook dát een hunkering kan veroorzaken bij ‘hopeloze hopers’). Herinneren: het is als kijken in een achteruitkijkspiegel. Risico ontbreekt. Net als bij denken, dat niets lijkt te kunnen met dat gevoel van opwinding, dat de berg af wil sjezen! Denken, dat misschien niet meer is dan een Parallelboog van de realiteit. Een parallelboog herinnerd in dit gedicht door verstand dat – altijd op veilige afstand – over zichzelf en alles nadenkt. En daarmee begiftigd is de schrijfster in goed gezelschap: ze lijdt mogelijk aan dezelfde kwaal als waar een beroemde Deense prins aan leed (men leze Shakespeare er op na). Maar dit terzijde.

Terug naar de bundeltitel. De waakzaamheid waarvoor kraanvogels staan verdraagt zich niet al te best met de moed die nodig is om voluit te leven en (dus ook) te sterven. Voegt het überhaupt iets toe om waakzaam te zijn? Ik bedoel niet dat we onszelf niet moeten verzekeren: het nut daarvan hoef ik niet te onderstrepen, dat wordt ons al genoeg aangepraat. Maar helpt waakzaamheid – dat door angst ingegeven goedje – echt als je (zoals iedere seconde van je leven eigenlijk) met je rug tegen de muur staat? Is er wel een keus? In het gedicht ‘2016’ schrijft de dichter: ‘Terwijl wij vandaag de dag iets / wat we maar niet voor ogen krijgen met hand en tand willen vinden // om het ook zo te kunnen verdedigen (…)’. Een fantastische zin! Dat klinkt niet alleen wanhopig – bijna als een regel uit een oproep van zekere (onzekere) Europese leiders – maar vooral als een ontkenning, een wegkijken van onszelf, van wie wij ZIJN. Onszelf zien… kan dat echt niet zonder spiegel? That’s the question.
____

Jane Leusink (2022). Kraanvogels. Uitgeverij Nobelman, 80 blz. € 21,95 ISBN 9789491737381

Geplaatst in Recensies.