Miriam Van hee – voor wie de tijd verstrijkt

Een vervreemdende vergankelijkheid

door Johan Reijmerink




Al vanaf de eind jaren tachtig volg ik de poëzie van Miriam Van hee. De Haagse dichter Jozef Eijckmans maakte mij indertijd attent op haar werk. Hij zag in haar poëzie overeenkomsten met zijn eigen werk: karig van woord, beeld en toon, sobere en klassieke vormgeving met een onnadrukkelijk gelaagde anekdotiek. De subtiliteit waarmee zij ogenschijnlijk gewone gebeurtenissen en situaties beschrijft, verraden pas bij intensieve lezing hun dubbelzinnigheid. Het concrete gaat moeiteloos over in een abstractie en omgekeerd.

Van hee heeft in haar nieuwe bundel voor wie de tijd verstrijkt (2022) opnieuw subtiliteit en dubbelzinnigheid in haar waarneming weten te leggen. Aan de gehele bundel gaat een citaat van V.S. Naipoul vooraf: ‘Ik had mezelf geoefend in het besef dat de verandering altijd aanwezig was.’ Er zijn veel plaatsen in deze bundel aan te wijzen waarop haar dichterlijk ik graag in de gelukzaligheid van het moment zou willen achterblijven. Wanneer een geluid haar aandacht trekt, de natuur haar imponeert en een overleden vriend haar doet terugdenken aan vroeger, vergeet ze het liefst die onoverkomelijke vergankelijkheid.

In deze nieuwe bundel komen we in een landschap terecht waarin het reizen per trein, het wandelen in de bergen en de rust van een natuurlijke omgeving het dichterlijk ik het besef geven deel uit te maken van een groter geheel. Van hee confronteert ons met een intieme binnenwereld die we aan een buitenwereld kunnen aflezen, zoals het geval is in het gedicht ‘restaurantbezoek’: ‘je loopt voor het raam langs en pas / de derde keer stap je naar binnen en / kijk je naar buiten, als naar een scherm / dat troost en verwachting kan bieden’. Dit staren door het raam doet de werkelijkheid transcenderen en draagt ertoe bij dat de vergankelijkheid voor even lijkt stilgezet te kunnen worden. Om toegang tot die binnenwereld te verkrijgen bedient Van hee zich van een ik, die bevangen raakt door (dag)dromen. Om het doorlopende karakter van deze binnenwereld te ondersteunen valt het ontbreken van hoofdletters en punten aan het eind van een zin of een versregel op.

De wijze waarop Van hee in het gedicht ‘bach’ de muziek van de meester uit Leipzig met zijn onaardse perspectieven gedurende een autotocht positioneert tegenover de afleidende, aardse omgeving van een havengebied, doet ons de ogen openen ‘voor die andere weg / met aan weerskanten / bomen, naar de stad die moeilijk te vatten is’. Door die havenstad ‘stroomt ‘s nachts / als vloeibaar zilver onder het maanlicht’ het water. Met dit filmisch droombeeld weet Van hee aan de werkelijkheid een dimensie toe te voegen die deze autotocht op het niveau brengt van de hemelse muziek van Bach. In deze eerste titelloze afdeling staan verder gedichten die de pijn en het ongemak laten zien dat de ik in haar jeugd heeft ervaren. Wat gebeurde is voorbij, maar de herinnering doet verlangen naar een situatie die niet pijnlijk is. In het gedicht ‘moeder’ zit de ik met haar moeder in de trein. Er trekken taferelen voorbij wanneer ze vertelt hoe ze moeders handen waste met zeep en de moeder langzaam kleiner werd. In het gedicht ‘bestemming’ lezen we hoe haar vader haar omhelsde ‘wat hij tevoren nooit had gedaan’. Ze roept daarmee een herinneringsbeeld op van een jeugd zonder al te veel emotionele uitwisseling tussen ouders en kind. In het gedicht ‘de stilte’ omringt de stilte de ik bij het paddenstoelen zoeken. Dat is de kortste weg naar het licht. Er komt een moment dat je op moet houden met zoeken naar innerlijke rust. De ‘gevleugelden’ zijn zich nergens van bewust, vieren hun onbekommerde vrijheid en lijken buiten de tijd te vallen. Zoals vogels naar de ik toe vliegen, zo komen de woorden naar hem toe. Ze zorgen voor een onbekommerde inspiratie en heffen voor even het vreemdeling zijn in de werkelijkheid op.

De relativering van het fenomeen ‘reizen’ door James Salter in de tweede afdeling ‘Reizen’ doet ons bovenal op een andere manier naar het het reizen kijken: ‘Reizen is onzin, zei hij, het enige wat je ziet is wat al in je zit.’ En daarmee is maar weer eens gezegd, dat geen enkele dichter aan zijn eigen verbeeldingswereld voorbijkomt. Tegen deze achtergrond vormen de beelden die Van hee opdoet gedurende haar reizen en wandeltochten, het decor voor deze gedichten die al lang in haar aanwezig hebben moeten zijn. De ik lijkt in het gedicht ‘het bezoek aan de begraafplaats’ enige jaloezie met de doden te voelen die zich niet meer hoeven te bekommeren om hun dagelijkse beslommeringen. Er is enkel ’s avonds nog het onvermoeibaar zingen van de merel, en ‘een uitzicht, over de heuvels tot aan de zee, / daar hadden ze altijd van gedroomd, tot dan’. Veel geklapwiek is te horen. Het korte leven van de kwikstaart die de jij met verstoorde blik aankijkt, ‘dacht aan zijn / korte leven dat hier verstreek, je was niet / zijn vriend of zijn vijand, je was hem vreemd’. De vogels doen de ik ervaren dat zij hem vreemd voorkomen, maar ook dat zij zelf in het beleven van al deze natuurobservaties vervreemding ervaart. Daarnaast is er ook de olifant op een foto die ons lijkt aan te klagen, en die in het boekweitveld die ochtend een mees heeft gered. Beelden met zowel natuurschoonheid als -aantasting komen voor in deze bundel. In het titelgedicht ‘Valavond’ zijn we opnieuw op een begraafplaats beland. Een man is uit op een ontmoeting die niet tot stand kan komen. Het is onmogelijk om uit de tijd te stappen, ook al zou de man heel graag tot een ontmoeting komen met degenen die buiten de tijd zijn:

een man loopt tussen
de graven, namen en jaartallen lezend, als

zoekt hij bekenden, voor wie de tijd verstrijkt
gaan nu de straatlichten aan, vriezen,
de duikplekken dicht, vervaagt het geluid,
worden ontmoetingen uitgesteld, ook

de niet-ontmoeting bestaat, er zijn gedichten
over geschreven

In de derde afdeling ‘Ardennen’ loopt de ik in het stroomgebied van de Maas. Natte sneeuw voor de voeten, schuilen onder een luifel van een winkelraam waar ‘wat er verkocht / werd was leegte en stof, en je dacht // aan morgen, een dag als een schoongespoeld glas’. Maar vooralsnog hoopt de ik na deze wandeling die na alles wat haar bezwaard heeft, verlost te zijn, ‘ruisend en tomeloos’ de avond door te komen. Wandelen door de wouden is je hoofd leegmaken, zoals de dame met het hondje in ‘la croix scaille’ aan de ik zegt. Hij trekt door verlaten dorpen en vraagt zich af waarom hij dit doet.

De vierde en laatste afdeling ‘Quarantaine’ staat in het teken van het verscheiden van de vader van de ik. In acht gedichten schetst Van hee het beeld van een man die in zijn ziekteperiode zo goed en zo kwaad als het gaat, afscheid probeert te nemen van het leven en zichzelf:

er is een raam waartegen ik praat met
mijn vader terwijl ik kijk naar de bergen
waarvan de contouren zich oplossen
in de verte en ik vertel hem hoe mooi

het hier ’s ochtends wel is, hij roeit,
zegt hij, op een machine’ ik zie de wolken
voorbijdrijven, mezen en vinken zijn plots
minder bang voor ons, vleugellozen, onze

soort is in snelheid gepakt, zegt hij, wij
leven van dag tot dag, wachtend op dokters,
versoepeling, opening van de grenzen

hij roeit voor iets uit, hij komt niet vooruit,
ik kan niet geloven dat ik ben beland
waar ik niet wilde zijn: in dezelfde schuit

Opnieuw bevindt de ik zich voor een raam. De ik heeft uitzicht op een vader in zijn laatste levensfase. Tegelijk ziet ze zichzelf in de nabije toekomst in dezelfde positie. ‘Hij roeit voor iets uit, hij komt niet vooruit’: hij mist toekomst en komt uit waar hij niet wilde zijn. Zij zit in dezelfde schuit.

Er volgen een reeks situaties die zijn laatste levensfase tekenen. Zijn ledematen onttrekken zich aan zijn gezag. Oorlogsherinneringen komen bij hem boven. De dood van overleden familieleden dringt zich aan hem op, maar ook de degenen die nog in leven zijn. Dat laatste geeft hem weer moed. Nog één keer wil hij de zee zien. Tot slot: ‘hij schuifelt gelaten rond in de donkere kamers / als in een onoverzienbare eeuwigheid waarin / hij onontdekt hoopt te blijven’. Als de rolluiken voor hem worden geopend laten ‘bladeren (…) zich blindelings / meevoeren als vogels op de wind’. Prachtig beeld van het naderend afscheid. Hij klaagt over tijdgebrek nu hij op het punt staat het leven te verlaten. Misschien is deze laatste cyclus wel de meest indrukwekkend van de hele bundel. Het reizen, de natuur, de vogels, de eenzaamheid, het staren, het afscheid nemen en de vergankelijkheid spannen samen. Zij maken de vervreemdende vergankelijkheid present.
____

Miriam Van hee (2022). voor wie de tijd verstrijkt. De Bezige Bij, 64 blz. € 20,00. ISBN 9789403183619.

Geplaatst in Recensies.