De Zeeuwse canon (I)

door Rogier de Jong

Komt ons aardgas uit Groningen of uit Nederland? En is Zeeuwse poëzie Zeeuwse of Nederlandse poëzie? Dat maakt natuurlijk niet uit. Waarom dan canoniseren? Omdat de oer-Nederlandse strijd tegen het water nergens zo tot de verbeelding spreekt als in Zeeland. En dan is er ook nog het Zeeuwse licht. Deel I van een drieluik over dichters uit Zeeland.

Net als aardgas kan ook poëzie aardbevingen veroorzaken, maar gelukkig alleen literaire. Nederland ligt gedeeltelijk onder de zeespiegel en de provincie Zeeland is een van die delen. En zoals Groningers het gelag betalen voor de gaswinning, zo zit bij de Zeeuwen de angst voor de zee er diep in. Die angst is ouder dan de zeventig jaren .sinds de watersnoodramp van 1953. Zeeuwen hebben vanaf de Middeleeuwen tegen het water gestreden. Het aantal verdronken dorpen en steden bedraagt ongeveer 117, nog los van de ten onder gegane plaatsen uit vroegere tijden, zoals het Romeinse Ganuenta bij Colijnsplaat en het vroegmiddeleeuwse Walacria bij Domburg – de plaats waaraan het ‘eiland’ Walcheren zijn naam heeft ontleend.

Water en land zijn een ‘archetypisch’ thema in de Zeeuwse poëzie. Daarbij gaat het, net als in veel andere literatuur, over worstelen en boven komen, al heeft het devies ‘luctor et emergo’ meer met de oorlog met Spanje te maken dan met de strijd tegen de golven. Water kan je op verschillende manieren aan de lippen staan.

En dan is er nog het befaamde ‘Zeeuwse licht’ dat kunstenaars vooral in de negentiende en vroege twintigste eeuw naar Zeeland trok. In Domburg – toentertijd een mondaine badplaats – streken schilders als Piet Mondriaan, Jan van Toorop en Jacoba van Heemkerck neer. Voorts vind je in Domburg de Van Schagenboulevard, een duinpad met uitzicht op zee, vernoemd naar J.C. van Schagen, de graficus en schrijver die vooral beroemd zou worden als dichter. Je zou kunnen stellen dat het Zeeuwse licht ook op de Zeeuwse poëzie een schilderachtig effect heeft gehad.

De provincie beschikt dan ook over een respectabel aantal poëten. Al die dichters opsommen, met hun gedichten erbij, is hier ondoenlijk. De PZC had jarenlang een rubriek getiteld ‘Vers op zondag’ waarin wekelijks een Zeeuws gedicht werd geplaatst. Die mooie rubriek van Jan van Damme is helaas ter ziele. Gelukkig neemt het literair periodiek ‘Ballustrada’ die taak ook (enigszins) op zich. Het najaarsnummer van 2022 besteedde aandacht aan dichters die een band met Schouwen-Duiveland hebben, onder wie Ester Naomi Perquin die in Zierikzee opgegroeid is. Zelf mocht ik in 2019 voor ‘Ballustrada’ een rubriek samenstellen over Zeeuws-Vlaamse dichters. Uit de veelheid van Zeeuwse stemmen heb ik voor deze column een kleine selectie gemaakt: J.C. van Schagen, Jacques Hamelink, André van der Veeke, Johanna Kruit, Hans Verhagen en Hans Warren. Een persoonlijke maar geen arbitraire keuze. Deze zes dichters hebben over de Zeeuwse thema’s geschreven op een manier die ver boven NAP uitsteekt.

Ik begin met J.C. van Schagen (1891-1985). Opgegroeid in Vlissingen en Middelburg, verhuisde deze graficus, schrijver en dichter later met zijn vrouw naar Rotterdam. Zijn beroemdste bundel ‘Narrenwijsheid’ verscheen in 1925. Na de jaren vijftig produceerde hij veel poëzie, proza en prenten, veelal in eigen beheer. In 1966 ontving hij de Marianne Philipsprijs als eerbetoon voor zijn werk.

De kracht van Van Schagen, zo valt te lezen op zijn Wiki-pagina, was het kunnen zien van kunst en het leven zelf als spel. Alles moest ‘toevallen’. Alle berekende, voorspelbare uitkomsten waren volgens zijn visie bij voorbaat nutteloos, zinloos en waardeloos. Zowel in zijn woorden als in zijn beelden is dit nooit eindigende spel terug te vinden. ‘Niets is wat niet goddelijk is. Daarom wil ik niets uitzonderen … daarom geef ik geen namen, ik ga maar en ben’.
Het gedicht Zee is grillig van toon en verraadt een speels perspectief:

Zee

Als ik loop langs het strand
moet ik altijd dicht bij de zee zijn
ik loop dan heel aan het randje
en zij streelt mijn voeten
zij betast ze, of ze mijn blinde Moeder is

de zee was groot
ze was vol witte koppen vanmorgen
want het waaide hard
overal danste het schuim
de golven waren broos en trots
ze sprongen als valse wolven
en toonden hun witte tanden
maar ik was rustig en stond hoog in de wind
ik stond als een oude koning
als ik zie over zee ben ik sterk en machtig
en mijn tanden staan vast op elkaar

het arme schuim is bang en wit
en het ligt almaar te bibberen aan het strand
daar heeft de zee het gebracht
nu kan het niet verder en ligt te sterven
het wil altijd nog hoger het strand op
daar zou het gauwer sterven.

Van een heel ander kaliber is Jacques Hamelink (1939-2021). Meer over hem (en André van der Veeke en Johanna Kruit) in deel II van dit drieluik, dat op 8 januari 2023 zal verschijnen.

 

 

afbeelding © AbsoluteFacts.com

Geplaatst in Column.