Van kleurrijke papegaaiduiker tot bleke leegte (*)

door Marc Bruynseraede

Het stadsdichterschap is, in de voorbije jaren, altijd een respectabele instelling geweest, beheerd door breeddenkende, genereuze politieke verantwoordelijken. De nieuwe generatie politici  laat een ander klokje luiden. Dat heeft alleen maar tot desillusie en collectief ontslag van de verdunde spoeling van vijf stadsdienders van de poëzie geleid. Want één stadsdichter was niet genoeg voor een stad die van grandeur houdt.

Even terugbladeren in de geschiedenis : in januari 2013 vraagt de toenmalige Schepen (Wethouder) André Gantman zich af of het niet wenselijk zou zijn het stadsdichterschap af te schaffen  en te vervangen door (belerende) literatuur-onderwijzers: “Schaf het stadsdichterschap af en engageer deze schrijvers om nieuw inzicht te geven in de geschiedenis van de Vlaamse literatuur” dixit Gantman, die meende een duit in het zakje te doen voor de ‘nieuwkomers in onze taal’.

Zijn woorden waren nog niet koud of hij trok ze alweer in, na stevig protest van de gewezen stadsdichters en van coalitiegenoten in de politiek. Peter Holvoet-Hanssen, stadsdichter van 2010 tot 2012, ging nog een stap verder : “Dit is een zware belediging. NVA maakt zijn huiswerk niet. Een stadsdichter moet geen leraar zijn. NVA wil blijkbaar dichters en eigenlijk de hele cultuursector in de pas dwingen”.

In de kranten lazen we : “Zijn het de politiekers die over het stadsdichterschap mogen beslissen? (…) Zijn het de dichters-zelf die te kritisch of te duur zijn? Want ze mogen dan wel leuteren, op kosten van subsidies, lees, de stadskas. Zich vrolijk maken over duizend-en-één dingen, waarvan je je mag afvragen: “Is dit wel nodig?”

Journalist Dirk Geldof citeert in een krantenartikel in 2013, als reactie op het Gantman-afschaffingsoffensief, stadsdichter Ramsey Nasr, die in 2005 schreef : “Antwerpen, gij zijt een schone stad, gevuld met onzichtbaar wanhoop (…) ’t Is goed in d’eigen stad te kijken (…) Spreek helder Vlaams en zeg : duik in vogelvrije vlucht omlaag, omlaag naar het licht van de Schelde.”  Hij parafraseert met dit kritisch-stoutmoedig gedicht Alice Nahon (’t is goed in ‘t eigen hart te kijken/nog even voor het slapengaan) en cowboy-liedjeszanger Bobbejaan Schoepen (Zie ik de lichtjes van de Schelde). Dromers-avant-la-lettre, nog vóór politici met een boekhouders-mentaliteit opdaagden aan de horizon.

Met een even grote vrijmoedigheid – zoals het een dichter betaamt – schreef huidige stadsdichteres Ruth Lasters, in het najaar 2022, samen met de leerlingen van haar klas in het technisch onderwijs, het gedicht “Losgeld”. Deze tekst legt de vinger op de discriminatie in de verschillende onderwijsstelsels en de minderwaardering van mensen uit de technische richtingen. Reden voor de dienstdoende Schepen/Wethouder van Cultuur om het gedicht in kwestie niet te aanvaarden als ‘stadsgedicht’ omdat het ‘niet verbindend’ genoeg zou zijn. Het reglement dat door Antwerpen Boekenstad wereldkundig was gemaakt en waartoe de vijf stadsdienders van de poëzie zich geëngageerd hadden, stipuleerde dat “het eindoordeel over de opname in de openbare ruimte aan de stad toekomt”.  Lees: de bedilzuchtige politiek. Resultaat : Ruth Lasters diende haar ontslag in. De vier andere dichters stonden erbij en keken ernaar.

De dichters mogen dan schrijven wat ze willen – dààr is de Schepen formeel over – als ze maar aan de leiband lopen. Want, zo zegt de procedure van Antwerpen Boekenstad, “dichters moeten een gedicht inleveren waaruit de liefde voor Antwerpen spreekt.”  Ze mogen, tegen betaling, het Hallelujah aanheffen met hun schrijftalent, want dat wordt stilzwijgend voorondersteld. Kritische geluiden kunnen beter achterwege gelaten worden. We houden het graag netjes.

De burgers die dachten dat de dichters VRIJ waren te schrijven wat ze wilden, dat zij symbool stonden voor de vrijheid van denken, spreken en schrijven, die hebben het verkeerd begrepen. Vrijheid ? Allemaal goed en wel, maar laat ons een kat een kat noemen.

Vóór er beslist werd de functie van Stadsdichter op te splitsen in vijf “deeldichters” en de spoeling van poëzie te verdunnen, schreef de laatste, unieke stadsdichter Seckou Ouologuem: “Er is helemaal geen gebrek aan middelen voor kunst, er is een gebrek aan visie, aan liefde voor alles wat niet geld heet.”  Duidelijke taal. Maar helaas: eventjes fout van hem, want zo’n uitspraak kan bezwaarlijk “welgevallig” overkomen bij politici-boekhouders-in-bijberoep.

En zie, daar was plotsklaps de oplossing – de Deus ex Machina – “Laten we niet één maar VIJF stadsdichters benoemen. Dat zal de diversiteit (in het getoeter) ten goede komen.”

De vraag rijst waarom één stadsdichter niet goed genoeg was. Leverde hij niet het gewenste resultaat op ? Werd niet genoeg de lof bezongen van de prachtigste stad Antwerpen. Met een “poule” (lees: legbatterij) van VIJF stadsdichters zou dat wel veranderen.

Een mailtje naar Antwerpen Boekenstad  vroeg om wat klaarheid in deze materie, met volgende vragen:

  • Wie beslist over de selectie en aanstelling van een stadsdichter ?
  • Wie beslist over de mogelijke afschaffing of hervorming van het stadsdichterschap ?
  • Wat zijn de beweegredenen om een “poule” van dichters aan te stellen, i.p.v. één enkele stadsdichter ?
  • Wat beoogt men hiermee te bereiken ?

Wie gemeend had dat hierop een antwoord zou komen, dat de Schepen van cultuur zich zou buigen over deze vragen, is wat naïef van instelling. Doodse stilte stond de vermetele vraagsteller te wachten.

Ondertussen hebben de overige vier stadsdichters – eindelijk  is de euro gevallen –  ook collectief hun ontslag ingediend, deels uit onvrede omtrent de omstandigheden waarin poëzie dient geproduceerd te worden, deels uit protest tegen de buitensporige besparingen in de subsidiëring van de cultuursector, die een heleboel jongeren-organisaties van bestaansmiddelen afsnijdt.

De krant De Standaard schreef op 5 november : “De dichters hekelen het gebrek aan kritische ruimte en desinteresse van het stadsbestuur”. Want, op de plechtige intronatie van de vijf stadsdichters, zo vernemen we a posteriori, bleek de bevoegde Schepen van cultuur grandioos afwezig. Zo belangrijk is, in de ogen van deze overheid, het stadsdichterschap.

Zo zullen de huidige en toekomstige burgers van de Grootstad Antwerpen – waar de cultuur van langsom meer geprivatiseerd wordt (zie de historie rond de Boerentoren) – het voorlopig moeten stellen zonder stadsdichter(s).

Indien poëzie een even voorbijgaande waarde blijkt te hebben als een pak friet, dan zoeken de mooie en kieskeurige papegaaiduikers andere oorden op. Van Puffin tot Nuffin.

 

 

(*) In het Engels : “Van Puffin tot Nuffin”. Een T-shirt uit Engeland waarop, aan de voorzijde, de afbeelding staat van een papegaaiduiker (puffin) met oranje bek en aan de achterzijde niets (Nuffin), heeft me tot deze titel geïnspireerd.

afbeelding Antwerpen: GirlsWhoMagazine

 

Geplaatst in Column.