Kees Stip – Puntgaaf

Een nieuwe Stip-verzameling, met nieuwe verzen!

door Inge Boulonois




Er is een nieuwe verzamelbundel van Kees Stip (1913–2001) uit.
Dat werd hoog tijd want verzamelingen als Het grote Beestenfeest (1988) en Lachen in een leeuw (1993) zijn amper meer te vinden. Ivo de Wijs, bijgestaan door Jaap Bakker, heeft een royale selectie gemaakt uit het oeuvre van de superieure puntdichter. De titel luidt dan ook Puntgaaf. De uitgave is mede tot stand gekomen dankzij de medewerking van Uitgeverij Liverse.

Het compacte boek is in de reeks Gedundrukt van Van Oorschot verschenen. 280 pagina’s Stip op een formaat van ongeveer een derde van een A-viertje. Het heeft zelfs een leeslint om gedoseerd genieten te vergemakkelijken. Hardcover en omslag zijn paars, een geestverruimende kleur die mooi aansluit bij Stips fantasie.

Het is geen sinecure om een selectie van de beste en grappigste te maken uit diens omvangrijke oeuvre. Naar schatting schreef Stip zo’n 4000 gedichten, waaronder talloze fonkelende juwelen. De samenstellers hebben, zo lees ik op de achterflap, veel verzen van topkwaliteit weten op de duikelen die niet eerder in boekvorm zijn verschenen. Al snel na de release bereikte Puntgaaf de bestseller-top-60.

De bundel is systematisch opgebouwd naar vorm en lengte van gedichten en opent met Stips beroemdste pennenvruchten, de nonsensicale dierenverzen van Trijntje Fop. Dit pseudoniem ontleende hij aan een dichtende klasgenote uit Multatuli’s Woutertje Pieterse. De ‘stipte’ versvorm heeft een vast metrum – de jambische tetrameter – bezit gepaard eindrijm en telt bijgevolg een even aantal regels. Meestal zijn dat er zes maar incidenteel zelfs achttien. Naast een dier komt er vaak een plaatsnaam in voor. Jarenlang schreef Stip Foppen voor kranten, voor het eerst in 1952, voor de Volkskrant. De Foppen staan, evenals in de andere bloemlezingen, op alfabetische volgorde van het bezongen dier. Elke nieuwe letter wordt voorafgegaan door een komisch alfabetversje. ‘De A’ gaat als volgt.

Zegt mij de dokter: ‘Zeg eens A!’
dan kan hij daaraan horen
of ik nog Nederlands versta
en waar ik ben geboren.

Vanzelfsprekend ontbreekt de beroemde Fop over de bok niet, het rekenwonder uit Siddeburen dat in steen vereeuwigd dit Groningse dorp verlicht. Er is daar nu zelfs, las ik, een festival met de naam Bokpop! De meeste lezers kennen ook ‘Op een woerd’ waarin de dichter inventief gebruikt maakt van de homonymie van ‘woerden’.

‘Den Haag’, zo zegt een woerd, ‘is blijkbaar
per trein uit Utrecht onbereikbaar.
Want telkens als ik het probeer
begint een goudgebiesde heer
zijn longen vol met lucht te happen
en roept dan: ‘Woerden overstappen!’

‘Op een hangbuikzwijntje’ is een ander voorbeeld van Stips kunstige taalspielerei.

De schrijfster dezer regelen
zag toevende te Tegelen
een hangbuikzwijntje in het bad
dat bloempjes op zijn buikje had.
‘Ik ben’, zo sprak het, ‘beste Trijntje,
een bloemetjebehangbuikzwijntje’.

In slotregels kom je schitterende trouvailles tegen. Stip breidde de literaire fauna uit met woorden als zomerpostzeeëgel, chimpanseenuwtoeval en cognachals. Nieuw, dus nooit eerder gepubliceerd, is ‘Op een koe’.

Gij vliegen vliegend in de lucht
tot aan de sterren zij uw vlucht.
Eerst als ge dit niet meer kunt lezen
hoeft ge niet hoger meer te wezen.
Dit schreef een koe te Glanerbrug
met koeieletters op haar rug.

De Wijs en Bakker hebben Stips werk overgezet naar de huidige spelling. De tussen-n’en zijn echter welbewust weggelaten omdat Stip er een grondige hekel aan had. Vandaar dus ‘koeieletters’.

Ongeveer de helft van Puntgaaf is gevuld met Foppen. Dan volgt ‘Dieuwertje Diekema. Een lied in dertig verzen waar geen woord Spaans bij is’, de bekende persiflage op het destijds succesvolle boek Mária Lécina (1932) van J.W.F. Werumeus Buning. Mária Lécina vormt een ballade over de passie van een zeeman voor een verleidelijke Spaanse. Bij Stip werd dat de blonde Friese Dieuwertje, die bij haar pa, een kastelein, achter de tap staat in café De Laatste Ronde. Al spreekt de ondertitel van dertig verzen, de door Stip geautoriseerde versie van de Friese schone telt 29 coupletten, dus Puntgaaf ook.

Stip schreef zijn ballade, waarin de nodige drank wordt getapt, als onderduiker tijdens de oorlog. Het vormde zijn debuut. Door clandestien circulerende, handgeschreven en getypte kopieën werd het populair. Naast de humor heeft de schaarste aan alcoholische dranken mogelijk bijgedragen aan het succes. Je kunt het lezen als een kostelijke drankkaart voor betere tijden. Het meest geciteerd uit ‘Dieuwertje Diekema’ is het klinkende twintigste couplet over het opvliegende karakter van Dieuwertjes vader:

Honderd stieren in Dieren doen Dieren tieren
en tweehonderd wolven Wolvega,
maar geen stier kan zo met z’n vieren tieren
als de pa van Dieuwertje Diekema.

Als classicus liet Stip zich regelmatig door de klassieken inspireren. Eveneens in de oorlog schreef hij ‘Variaties op een misverstand’, bewerkingen van de mythe over de onmogelijke liefde tussen Pyramus en Thisbe. Hij bootste daarbij de trant na van enkele Nederlandse auteurs. Puntgaaf bevat er drie, waaronder die van Speenhoff, bestaande uit 13 strofen. De laatste ervan bevat de moraal.

Dit drama leert ons iets omtrent
De ouderlijke plichten:
Men dient de gaten in zijn huis
Terstond te laten dichten
Wie dit niet doet die brengt zichzelf
In vele ongemakken,
Dus hebt gij jonge dochters, laat
Er dan behang op plakken!

Na de variaties volgt een reeks kwintijnen, geïnspireerd op (boek 20 van) Homerus’ Odyssee: Ballade van de honderd vrijers uit 1951. Versificatorisch een uitstekend dichtwerk over het bloedige lot van de vrijers die naar de hand van Penelope dongen tijdens Odysseus’ afwezigheid. Al heeft de dierenliefhebbende dichter er een ludiek eind aan gebreid, persoonlijk vind ik deze ballade minder humoristisch dan ik van Stip gewend ben. Als afzonderlijke uitgave is daarvan slechts één herdruk geweest, in 1968, wat bijzonder weinig is vergeleken bij andere Stippiaanse pennenvruchten.

Pas op latere leeftijd begon Stip sonnetten te schrijven. In de bundel zijn veertig Petrarca-sonnetten ondergebracht. Zeer creatieve rijmvondsten tref je aan in ‘De axolotl’.

Dat een sonnet waarin mijn axolotl
het rijmwoord aanreikt vroeg of laat een feit
zou worden volgt uit mijn genegenheid
zo vast als uit de roos de rozebotl.

Driemaal op otl rijmen lijkt bespotl-
ijk. Dat ik afbreek en de e vermijd,
wie doet me wat. Maar moeilijk blijft altijd
het vinden van een sluitwoord op een slot-l.

Dat waren de kwatrijnen. De terzinen
zijn strofen die een ander rijm verdienen,
op eik of beuk of berk of op plataan.

Mijn axolotl kijkt mij dankbaar aan
en denkt: ‘Nu maak ik het zelf’ (het is besmetl-
ijk) ‘ook iets op de Popocatepetl.’

Ook bij de afdeling korte verzen, waaronder kwatrijnen, epigrammen, limericks en haiku, valt veel te genieten.

Aan de poort

Adam! Ben jij het die hier aan komt bellen?
Al je problemen kun je mij vertellen.’
‘Ja zie je, Petrus, mijn probleem is dit:
ik wou nog een paar ribben bijbestellen.’
Biceps

Mijn bicepsbal verbaast
nog altijd talloos velen.
Men rekent mij welhaast
tot de bicepsuelen.

Soms heeft Stip aan twee regels genoeg: ‘Wat een sopraan! Wat een geluid! / Daar kunnen twee mezzosopranen uit’.

Het laatste deel van de bundel bevat liedjes en langere verzen, zoals het bekende ‘Het Hanengeschrei’ en het ludieke ‘Odysseus en de zweefgrieten’. (‘Sirene’ werd bij Stip ‘zweefgriet’.) De eerste regel van dit verhaal doet aan als het begin van een gewoon epos maar aansluitend neemt een weinig poëtisch stijlregister het over, wat een humoristisch effect sorteert. De eerste strofen:

Ik zing u de roem en de lof van Odysseus.
Die gozer was uit en de zaak die gong mis thuis.

Zijn griet was de beeldschone Penelopeie,
daar wouwen een hele schuif vrijers mee vrijen.

Puntgaaf wordt afgerond met een informatief nawoord van de samenstellers. Ivo de Wijs voegde er zijn eigen herinneringen aan toe en laat zo licht schijnen op Stip als persoon. Hij noemt hem bovendien ‘de beste plezierdichter van de twintigste eeuw’. Het werk van Stip werd ook door andere collegae zeer geapprecieerd. Hugo Brandt Corstius noemde hem ‘de grootmeester van light verse’, Drs. P sprak over ‘de brillante Kees Stip’, Willem Wilmink stelde ’Geen mens ooit puntiger dan Stip’. In het eerbetoon van De Tweede Ronde uit 2001, Stips sterfjaar, dichtte Frank van Pamelen: ‘Het poëziepeil van Kees Stip / Dat haalt voorlopig nog geen kip’.

Als virtuoos goochelaar met woorden, metrum en rijm maakte hij grappen, exploiteerde bestaande uitdrukkingen en creëerde gevatte woordspelingen en neologismen. Puntgaaf geeft de lezer daarvan een glansrijke impressie en is een absolute must have voor de grote schare bewonderaars. Alleen ‘de ballade van de honderd vrijers’ had er van mij niet in gehoeven. Natuurlijk had de selectie ruimer kunnen zijn. Vanwege de nuchtere humor had ‘Op een kievit’ er van mij ook in gemogen:

‘Mis koningin, je krijgt van mij
dit jaar geen eerste kievitsei’
zo sprak een kievit te Stavoren.’
Daar is een kievit uit geboren.’

Helaas is er gewoonlijk beperkte plaatsruimte. Bij Prometheus verscheen voor 1998 De grote scheurkalender van Trijntje Fop. Een nieuwe zou ik van harte toejuichen. Hoewel, Kees Stip afscheuren?
____

Kees Stip (2022). Puntgaaf. Samensteller Ivo de Wijs. Van Oorschot, 280 blz. € 27,50. ISBN 9789028223288

Geplaatst in Recensies.