Antoon Van den Braembussche – De schaduw van Morandi

Het onuitsprekelijke van de dingen

door Johan Reijmerink




In de nieuwe bundel De schaduw van Morandi (2022) van Antoon Van den Braembussche lijken de gedichten voort te vloeien uit wat hij in zijn essay De stilte en het onuitsprekelijke (2016) heeft uitgedragen over de verhouding tussen spraak en stilte, over dichters met een mystieke oriëntatie en de zen-boeddhistische traditie. Hij onderkent de waarde van stilte voor het schrijven. Het onuitsprekelijke, het onherhaalbare en het onzegbare zijn thema’s die Van den Braembussche zowel in zijn filosofisch als poëtisch werk bezielen.

De poëziebundel bestaat uit vijf afdelingen. De motto’s roepen de dichter op sporen na te laten, want sporen doen ons dromen. De minimalistische verzen herinneren aan de sobere beeldarchitectuur in het beeldend werk van de Italiaanse schilder Giorgio Morandi, de meester van de nature morte. In zo min mogelijk woorden tracht de dichter de wereld van het onuitspekelijke te vangen. Hij creëert eigen stil-levens. Versregels van een, twee, drie woorden, soms meer, dikwijls twee- of drieregelige strofen die de berichten uit zijn binnenwereld doorgeven naar de lezer toe.

In vier gedichten met onderafdelingen neemt de dichter ons in ‘Pandemie’ mee in zijn lockdownervaring waarin de besmetting ‘ongehoord. / onzichtbaar’ was in een ‘ziekmakende verstuiving.’ De besmetting zorgde voor een ‘nooit geziene / verontrusting’ en ‘onderhuidse angst.’ De virologen op televisie versterkten die onrust. De exponentiële curves leidden tot ‘de wereldwijde stilstand’. Achter ons ‘mondmasker van het ongeziene’ hielden we niet alleen de mogelijke besmetting voor de ander verborgen, maar ook onze eigen angst zelf besmet te raken. Het werd daardoor nog moeilijker aan de ander af te zien hoe hij uiterlijk en innerlijk eraan toe was. In ‘luidkeelse’ bedden lagen de slachtoffers. ‘Want wie ooit eenzaam was, / verglijdt snel in ongenaakbaar zwijgen’ in het geval dat men door het virus besmet is. ‘Corona. / Utopia’, maar dan wel met een weerzinwekkend toekomstperspectief. Ondertussen was echter ‘het digitale zo zeer / een plek van mededogen’ geworden:

Nog nooit hoorde je
In straten en pleinen zozeer
De stilte en het onuitsprekelijke.

Alsof de stilstand ons meer dan ooit
Iets onvergetelijks leert:

De herademing in het ogenblik.

Deze afdeling eindigt met het gedicht ‘Je hand’, naar een getekend beeld van Sofie Muller. Die hand van een oude vrouw herinnert aan ‘onuitputtelijke tederheid’ en verwijst naar ‘de laatste ademtocht’ en ‘de allerlaatste eenzaamheid’ in ‘een verweesde ziekenzaal.’ Niet eerder bewoog de hand van de ander in die mate van tederheid ‘Tegen beter weten in.’ In lockdown kwam men handen te kort bij ‘het betreden / van zoveel vervreemding.’

Van den Braembussche schreef in die coronatijd ’poëzie / met een groot zwijggehalte / met alle Zen die in de dingen zong.’ In het gedicht ‘Liefde in tijden van lockdown’ legt de ik zijn hand ‘op de stilte / van je lichaam.’ Die ervaring van de handoplegging kondigt het einde en een onophoudelijk begin aan. Het schrijven van de ik helpt de ander nabij te blijven. Ondanks de pijn is er het gevoel van ‘herboren’ worden in elk verdoofd ogenblik. Het heimwee knielt ‘als een gekwetste engel’ tussen hen neer en ‘liefde allengs ontaardde / in een onmogelijke spreidstand.’ Het besef wat liefde is, en is geweest, opent zich voor de ik in het vangen van de wind die krijst van gebroken liefde en heimwee:

En als wind stilvalt,
kus hem en omarm hem dan
als een geliefde
in het oog van de storm.

Ten diepste dichter te zijn, deze bekentenis zou in de beeldende kunst toch niet hinderlijk zijn, aldus Paul Klee. Van den Braembussche begint de afdeling ‘Beelden, nogmaals beelden’, gewijd aan beroemde schilders, met een gedicht dat verwijst naar een beroemd schilderij van Klee: ‘Angelus novus’. Uit het lichaam dat een en al licht was, sprak ‘gelatenheid’. Uit zijn vleugels sprak een droom die in hem nazinderde en ‘doden en ongeborenen / voor ons en voor altijd / in bescherming nam.’ Daarop volgen gedichten geïnspireerd door schilderijen van Gerhard Richter en Jef Verheijen die betrekking hebben op het bewustzijn van de dingen, ‘het aanraken van de schaduw / En het loslaten’, maar ook op ‘de kracht van het onvoltooide’.

Na deze drie gedichten volgt ‘De schaduw van Morandi’. Daaraan illustreert het onuitsprekelijke van de dingen. In zijn eerdergenoemd essay zegt Van den Braembussche daarover: ‘De weg van de verstilling naar het onuitsprekelijke heeft in de beeldende kunst vrijwel altijd in eerste instantie te maken met de vertraging, verlangzaming, zelfs de absolute stilstand van het beeld. Maar deze weg gaat of graaft veel verder: zij is een poging om aan de dingen, zelfs de meest alledaagse hun mysterie terug te geven, hun onvatbaarheid, hun magie, hun immanente onkenbaarheid en zelfs ontoonbaarheid.’ Ze confronteren ons met hun sublieme afwezigheid. ‘Als je stil bent, / dan kun je de hartslag / van de dingen horen’. Hoe ze denken, hoe ze spreken tot elkaar in ‘steeds wisselende tonen’:

II
Als je stil bent,
dan kan je jezelf vergeten
in het uitstervende licht.

In de schaduw van een vaas,
een lege kom, een kruik, een schaal.

Schaduw die buiten haar oevers treedt.

Het schilderij verlaat
alsof de tijd niet bestond.

Tot jezelf geheel en al verdwijnt.
Langzaam in het ijle.

Het spelen met de schaduw geeft het schilderij een tijdloosheid: ‘alsof de tijd niet bestond.’ En dat de jij geheel uit de tijd raakt.

III
Pas als je stil bent
als de stilste dingen,
kan je het stilleven zien.

Bij Morandi gaat het om het onzichtbare, wat ‘in niet-weten verstild’ is. De stilte van de waarneming, het bijna mystieke karakter hiervan, zijn allereerst een eerbewijs aan het ding als zodanig. Het gaat om ‘De nooit achterhaalde, / wezenloze blik van de dingen.’ Zichtbaar wordt wat je nooit had willen zien.

IV
Als je lang genoeg kijkt,
worden de dingen ongewoon.
Het onbekende.

De dingen zijn ‘ongenaakbaar. / Aanwezig en afwezig.’ Er is dan sprake van onvatbaarheid. Aan de huid van de dingen laat zich ‘de schaduw van Morandi’ aflezen. Daarin zindert alles na ‘in het o zo breekbare licht. // Als in een eeuwigheid.’

Moments de grâce: zijn de momenten die raken aan het onuitgesprokene. Daarin worden woorden in de wind een uitstervende echo. Daarin wordt ‘het vertrouwde vreemd, het vreemde nabij’. De woorden waaien ‘als woordvlagen door het raam / van droom en bewustzijn’. Dit zijn momenten van genese. Als ware het ‘woestijnzand / waarin het eeuwige vertoeft.’ In het gedicht ‘Af en aan. indachtig Rumi’: ‘Dansend in het / ongehoorde gaf ik je / de binnenkant van mijn ziel.’ Dat is de plaats waar de betekenis er niet meer toe doet: ‘Duisternis dans wordt, dans duisternis.’ En waar alles aan en af danst, terwijl de dichter enkel nog naar de woorden tast. Er blijft een heimwee naar de juiste woorden. Er is de liefde voor elke stilte die ver van alle goden is. In de eenzaamheid is een onnoemlijke klaarte te vinden, maar het stuifmeel van onvervuld verlangen blijft hem omarmen. In ‘Body scan’ maakt het licht een reis door het lichaam ‘van hoofd naar hart’. ‘Blow up’ is het in rook opgaan van het argeloze beeld. Daarin ligt het meesterschap verborgen. De ik ziet het leven als ‘opdwarrelend stof. / Wat een vrijheid toch.’

Aan het onuitsprekelijke, het onvatbare liggen ‘Paradoxen’ ten grondslag. De ik is op zoek naar een vergeten taal, waar nog niemand aan heeft gedacht. Dat doet denken aan Wachten op Godot. Er zijn echter gedachten die zichzelf bekijken, lijfeigenen van de stilte als gedaantes van het woord. Bij terugkeer in de tijd ademt men het onzichtbare weer uit. Toch blijkt alles onvergetelijk te zijn, ook al lijkt alles ins Blaue hinein te verdwijnen: ‘Elk ogenblik desalniettemin / een eeuwigheid bleek.’ In het aanschouwen ligt de weg, ook al ligt in elk verlies de schitterende leegte. De ‘Kleine dood’ maakt alle leven mogelijk:

Niet langer de grond raken
terwijl je wandelt
over het bedachtzame gras.

Dit is het ogenblik
waarop het gedicht ontstaat.

In de ‘Zelfvervreemding’ voltrekt zich een ‘wezenloze maskerade’ waarin de verdeelde blik afdwaalt af in de zijpanelen van de ziel en voortvluchtig een eeuwig sterven in het eigen spiegelbeeld ervaart.

De bundel vindt zijn afsluiting in een ‘Ode aan Paul Celan’. De joodse dichter uit Oekraïne dronk zich in de taal van de vijand vol met luchtspiegelingen in de Seine van Parijs. Gedichten vol paradoxen over het concentratiekamp Buchenwald: ‘Een echo / voor eeuwig uitstervend / in het beukenwoud.’ De nachtuil kijkt toe. Over wat onzichtbaar is, de zwarte sneeuwvlokken, de asbloemen gaan deze weerloze herinneringen. De gedichten scheren langs de scheidslijn van leven en dood: ‘Sterf voor je sterft, / zegt de mysticus.’ Dat is wat Celan voortdurend in zijn poëzie probeert te doen. En Van den Braembussche volgt hem daarin zich ‘stuk kauwend / op de tekens van het ongeziene.’ Wetend dat ‘het onzegbare onuitroeibaar is’ heeft hij in deze nieuwe bundel het motto van Vasalis overtuigend gestand gedaan: ‘Een dichter vertaalt. Geeft taal aan datgene uit zijn binnenwereld dat zelf geen woorden heeft.’ Van den Braembussche heeft aan het onuitsprekelijke ingetogen, lichtgevende, loepzuivere woorden meegegeven.
____

Antoon Van den Braembussche (2022). De schaduw van Morandi. Uitgeverij P, 54 blz. € 20,00. ISBN 9789493138889

Geplaatst in Recensies.