Dichter, lezer en criticus

door Hans Puper

© Wicky Lauwers

In De honkvaste reiziger, het eerste deel van zijn dagboekbladen en veldnotities, nam H.C. ten Berge twee citaten op van Jacques Hamelink, ieder in een afzonderlijk stuk. Het eerste, in ‘Aperçu’s’: ‘Zoals het grote heimweedier walvis in zijn vet de resten van achterpoten bewaart, zo beschikken wij over een verborgen vleugel.’
Blijkbaar is ook de dichter een heimweedier. Hij (zij, die) stelt zich een verborgen vleugel  voor – vogel was hij en vogel wil hij opnieuw zijn. Wellicht zag Hamelink zo’n onbereikbaar verlangen als noodzakelijke voorwaarde voor het dichterschap. Hij was niet de enige. Zo sprak Bloem over de goddelijke onvervuldheid. Vervulling zou het einde zijn van de droom en daarmee van het dichterschap.
Of kan de dichter toch vliegen? Ten Berge vervolgt: ‘Het beeld van een verborgen vleugel is een aantrekkelijke metafoor voor dichter en lezer. Ook de lezer heeft een vleugel. Zonder hem zat de dichter als een in zijn wiek geschoten kraai vergeefs te krassen in de struiken. Dichter en lezer, ze hebben samen twee vleugels. Daarmee vliegen ze weg. In de vlucht van zijn verbeelding draagt de dichter de lezer mee op zijn rug, zelfs al gaan ze in gemeenschap naar de bliksem.’
Een mooie gedachte. Gedichten komen voort uit de verbeelding van de dichter en de lezer moet de zijne gebruiken, want anders blijft het bij klapwieken zonder van de grond te komen (dit beeld leende ik van Reve). Maar ook de dichter moet goed zijn. Met een eenvleugelige struisvogel die zijn kop in het zand steekt valt niets te beginnen.
Vluchten heb je natuurlijk in alle soorten en maten. Er zijn vogels die hoog vliegen of juist laag over de grond scheren, je hebt trekvogels en vogels die sierlijke vluchten maken waarvan je nooit weet waar en wanneer die eindigen. Die laatste hebben mijn voorkeur, maar die andere versmaad ik zeker niet.

Het tweede citaat staat in ‘Legitieme kritiek’. Ook Hamelink had oog voor de rol van de lezer, een bijzondere ditmaal: de criticus. Hamelink: ‘Waardoor verwerft een kritiek zich legitimiteit? Naar ik meen nog altijd doordat ze om de cirkel van een werk heen een wijdere cirkel trekt, waarbinnen het werk kan gaan groeien tot het zijn uiterste consequenties bereikt en die toont. Het werk had die ruimte in zich, de kritiek laat dat uitkomen. Echte kritiek is nooit arm, ze verarmt ook het werk niet. Ze is zelf rijk. Ze verrijkt ook het werk dus, door alleen maar die cirkel te trekken en het werk intact te laten.’
Hoe doe je dat als criticus? Mijns inziens begint het met een onbevangen nieuwsgierigheid en het uitstellen van een oordeel. Je verkent de bundel door hem meerdere keren te lezen om je een beeld te vormen van de thematiek, inhoud en vorm. Ook kijk je naar de context: staat het werk in een traditie, is er een relatie met tijdgenoten en eerder verschenen werk van hemzelf? Pas daarna begin je met een interpretatie. Een aandachtige criticus ziet wat een dichter doet, welke vormen hij gebruikt en wat daarvan de reden kan zijn, welke vragen hij zich stelt, hoe hij functies van de taal onderzoekt, en, afhankelijk van het werk, hoe hij tegen het leven aankijkt. Maar je gist niet naar zijn bedoeling, want wat hij heeft te zeggen staat in zijn gedichten. Het is zelfs onwenselijk om dat te doen, want dat kan je blind maken voor andere aspecten. Zo legt de dichter soms betekenissen in zijn werk die hij zelf niet vermoedde, ook doordat woorden en constructies die in elkaars buurt staan autonoom verbindingen kunnen aangaan, iets wat juist wordt opgemerkt door onbevangen critici die geen weet hebben van bedoelingen.

Dat is nogal wat. Zelfs een goede criticus kan hier lang niet altijd aan voldoen, maar hij moet daar wel naar streven. Ook hij is verantwoordelijk voor een goed poëtisch klimaat. Redacties van boekenbijlagen in dagbladen ook, trouwens. Aan dat besef ontbreekt het bij hen nogal eens.

Geplaatst in Column.