Ester Naomi Perquin – Ongevraagd advies

Ongevraagd, maar welgekomen, advies

door Marc Bruynseraede




Als je Ester Naomi Perquin heet, dan kan je niet anders dan gedegen gedichten schrijven. Esters zijn er wellicht vele en Perquin, tja, het is een naam als zoveel andere. Maar die tussennaam Naomi staat voor perfectie. Kennen wij immers niet de ideale maten van schoonheidsmodel Naomi Campbell. En wie is de belichaming van de revolte tegen het grootkapitaal en de menselijke slavernij? Het is toch wel de Canadese journaliste, publiciste Naomi Klein, zeker.

Dus, aan een dichtende Naomi, die ons uit de ellende verlost, hadden wij dringend behoefte. En kijk, ze schrijft en publiceert niet alleen, maar ze wint er ook prijzen mee. Een hele hoop zelfs. Zie de pagina’s van Meander. Perquin valt in de smaak. Op de site van Meander is ze al acht keer besproken en het wierrookvat is hierbij niet gespaard gebleven. Straks krijgen we nog een jubelkoor van Meander-recensenten. Ester Naomi Perquin was stadsdichter van Rotterdam en, in één moeite door, Dichter des Vaderlands. Wat zal de volgende stap zijn ? Dichter van West-Europa of Dichter van het Noordelijk Halfrond ? De 27 lidstaten van de Europese Poëzieraad moeten daar nog een nachtje over slapen, denk ik.

Alle gekheid op een stokje, Ester Naomi Perquin heeft een nieuwe bundel uit: Ongevraagd advies. Er zijn zo van die voor de hand liggende kwesties, waar je ofwel nog nooit over nagedacht hebt, ofwel niet de moeite gedaan hebt er over na te denken, omdat ze sowieso onontwarbaar of pietluttig-zinloos lijken te zijn. Tot daar een dichter(es) aan de einder opdaagt die zegt: ‘Ja maar, je hebt het me nooit gevrààgd hoe het juist zit’. En je leest het gedicht dat ze erover geschreven heeft en zegt: Ah, zó zit dat. Je krijgt dus wat men noemt: een ongevraagd advies.

In de bundel Namens de ander (2008) was de dichteres al aan de slag met adviezen. Daar staat het gedicht ‘Gevolgde adviezen’ waarin ze twijfelt of ze zich niet schimmiger, dan wel helderder had moeten uitdrukken. Een advies dat men trouwens ter harte dient te nemen. Wim de Bie deed dit, als oud-leraar Duits, in Keek op de Week met de vraag: ‘Kan het niet wat grimmiger?’. Het beschrijven of inschatten van de werkelijkheid kan soms problematisch zijn. Hoe moeten we dit aanpakken? Ester Naomi schijnt er zich spelenderwijs doorheen te slaan, al legt ze tegelijk het vingertje op de zere plek.

Doorheen de talrijke bundels en gedichten weerklinkt de vraag: Is de realiteit dat wat je ZIET? Of wat je DENKT te zien, aangelengd met verbeeldingskracht. In ‘Ongevraagd advies’ zegt ze het, in het eerste programmatisch gedicht van de bundel: ‘Alles geleerd in de loop van de jaren; (…) en nog bewaar ik je niet in wat ik nu weet, / maar in wat ik nog altijd wil vragen.’

Vanaf het eerste gedicht word je met de neus op de ongrijpbare, onuitputtelijke werkelijkheid gedrukt. Altijd blijven er vragen open. Altijd blijven mensen en situaties onvoltooide symfonieën die je met nieuwe vragen, gissingen, desillusies, gramschap of een portie fantasie moet aanvullen. Overal weet de werkelijkheid wel een booby trap te leggen, zodat je er, als nietsvermoedende burger, reddeloos intrapt.
In de eerste cyclus van de bundel, ‘Zet geen misdrijf voor je raam’, toont de dichteres aan hoe je de werkelijkheid zacht of hard kan aanpakken, met hulpeloosheid of met zorgzaamheid, netjes de etiquette nalevend of de regeltjes volgens de Afghaanse poetsvrouw.

Opvallend in de manier van schrijven van de nieuwe generatie dichters – ik denk hier, buiten Ester Naomi Perquin, aan Ellen Deckwitz, Marieke Lucas Rijneveld of Maud Van Hauwaert – is dat zij in ieder gedicht een heel verhaal vertellen. Vooral met veel woorden en heel exacte omschrijvingen. Je vraagt je wel eens af: kan het niet wat bondiger? Vergelijk zo’n gedicht met een vers van Maurice Gilliams of Hugues Pernath om te merken dat er een wereld van verschil is tussen de dichters van nu en die van enkele decennia terug. En dan rijst de vraag of de dichters van nu anders aankijken tegen de werkelijkheid dan die van pakweg dertig jaar geleden.

Het onderzoeken van waarheid/werkelijkheid gaat door in de tweede cyclus: ’Praat niet als het om vertragen gaat’. Wat is waarheid en hoe manipuleren we ze? Of hoe schieten we ermee tekort?

TELLEN

D. kijkt graag vogels, ik mag mee. Kijk, zeg ik,
een bonte ekster. Nou, zegt D.,
dat is een Vlaamse gaai.

En daar, bij de waterkant, zit een jonge
wintertaling. Nou nee, zegt D.
Dat is een smient.

Verrijkend is het, vogelkijken. We zijn pas
net begonnen en we hebben er
al vier gezien.

In het gedicht ‘Methode’ wordt de kwestie nog prangender omdat ze uit het anekdotische getild is en omdat de dichter er een abstracte evidentie mee opbouwt:

METHODE

Vraag: Hoe kan een leugenaar de waarheid spreken?
Antwoord: Door te zwijgen.

Door grondig te zwijgen, in alle talen te zwijgen, door dagen,
weken, jaren te zwijgen kan een leugenaar de waarheid spreken.

Nog beter is het te sterven. Door te sterven kan het zwijgen
van de leugenaar zo lang duren dat men vergeet
wat er is gezegd. Men aarzelt, stelt vragen.

Men wordt voorzichtig met etiketten ‘goed’ en ‘slecht’.
Men leert. Nuanceert. Vertelt wat men het liefste hoort
en noemt dat dan geschiedenis.

Een leugenaar die lang zwijgt komt opnieuw ter wereld.
Verklaart, erewoord, dat hij een ander is.

De leugen bestaat bij de gratie van de waarheid en uitsluitend in geval men wéét wat waar is en hoe men de waarheid kan verdraaien. Maar de vraag is of de leugenaar wel zo wijs is, dan wel of hij fabuleert om zich te onttrekken aan het knellende van de waarheid. De leugen hanteren is zoiets als ‘een-mening-hebben’. Zo’n vermoeiend verschijnsel, dat je er mistroostig van wordt. Dat is wat Perquin zegt met het gedicht ‘Hoogste tijd’. Het is niet zomaar een ‘mening’, maar een situatieschets die goed de menselijke beperktheid beschrijft en toont hoe je daarover kan nadenken.

HOOGSTE TIJD

Het is de hoogste tijd dat zitters niet meer over lopers praten.
Lopers niet meer over slenteraars. Slagers niet over brood.
Dunne mensen niet meer over krappe Franse kledingmaten.
Dat de levenden zich niet bemoeien met de dood.

Mensen met een hond moeten zwijgen over katten, mensen
met een kat over volgzaamheid. Mensen met haast mogen
niet meer praten als het om vertragen gaat.

Het is de hoogste tijd dat mensen in hun eigen blikveld blijven.
Economen moeten zwijgen over taal, schrijvers over cijfers.
Rillers over bovenmatig zweten. Geheelonthouders
over het verlangen te vergeten.

Mensen met een auto moeten hun mond houden, mensen
met een hypotheek, een kind, een fiets, met een hobby,
mensen met bijna niets, met pech, met een groot hart,
mensen die andere mensen onophoudelijk vervelend vinden,
mensen met eigen grond, lekker de ruimte, een uitweg,
een voorrecht, mensen die gewoon tevreden zijn en zich
nergens echt aan storen: niemand wil ze nu nog horen.

Mensen die fout zitten, liever geen mening hebben,
die twijfelen of absoluut gelijk gaan krijgen;
laat ze allemaal, in hemelsnaam,
lang en hoorbaar zwijgen.

In de derde cyclus ‘Geloof alleen nog woorden’ toont de dichteres dat woorden al even misleidend kunnen zijn als het wit konijn uit de hoed van de tovenaar, hoewel zij ons oproept om alleen nog in woorden te geloven. Ze zijn niet alleen verrassend en soms verwarrend maar spiegelen niet zelden fata morgana’s voor. Ze zijn vaak even loos als verkiezingsbeloften.
In het gedicht ‘Verklarende woordenlijst’ wordt de dubbele bodem van woorden toegelicht door de dichters’ definitie van enkele begrippen:

Koopkracht: de kracht om niet te kopen wat zich opdringt en aanprijst,
dwars door een scherm tegen je oprijdt, de sluikreclame op je kleren,
het bordkartonnen paradijs manhaftig negeren.

Staatsschuld: het schuldgevoel omtrent
de openlijke onrechtvaardigheid die het gevolg is
van bepaald beleid. Beseffen van gedane zaken.
Soms inclusief de wens dat goed te maken.

Maar soms kan taal ook messcherp zijn en adembenemend, in de mate dat zij een pakkend beeld schetst van realiteit, zoals dat het geval is in het gedicht ‘Gebed voor een engerd’ of ‘Gebed voor een arts’.

De vierde en laatste cyclus van deze bundel ‘Loop in de schemering naar huis’ brengt een allegaartje van thema’s dat de vraag oproept: wat is de achterliggende betekenis. Een goede dichter, met een rugzak vol met prijzen, draagt natuurlijk de ballast mee van de noodzaak om origineel te zijn. Dat brengt mee dat de dichter wel eens het gewillig slachtoffer wordt van zijn taalvaardigheid en zo nog wat gedichten bijeen veegt, om er een cyclusje mee te vullen. Maar soms schemert door de anekdotiek heen toch het tragische van de banaliteit, getuige ‘Ozewiezewo’:

OZEWIEZEWO

Zag de dood weer in de tram, al zat hij ditmaal goed verstopt
in een beweeglijk hondje dat, kop schuin tegen vettig glas,
pootjes op de rand, het uitzicht wilde likken.

In zijn baasje zat hij ook. Een dikke man die steeds fontein
of kerk of zwaan aanwees alsof dat hondje erom vroeg
en dan iets mompelde en knikte.

Het groepje vrouwen verderop, met tassen vol geruite stof,
de conducteur, het meisje met de korte rok dat hartjes
trok over het raam en in de jongen achteraan,
drumstel in de oren, zat hij ook.

In de man die zachtjes zong. Walla kristalla.
In de baby op zijn schoot.

Met haar nieuwe bundel Ongevraagd advies heeft Ester Naomi Perquin de hele betrekkelijkheid van taal en realiteit, versneden met melancholie, weemoedig kijken en messcherp formuleren – al betreft het een laconieke vaststelling – treffend samengevat in de slotverzen van de bundel :

De allermooiste onzin
kent geen tegengif.

____

Ester Naomi Perquin (2022). Ongevraagd advies. Uitgeverij Van Oorschot, 64 blz. € 19,95. ISBN 97890282220744

Geplaatst in Recensies.