Pernath verbreed

door Stefan Polakiewiez

De redactie van het Nieuw Vlaams Tijdschrift meldt in 1961: ‘Na talrijke gewetensvolle schiftingen werden Paul Snoek en Hugues C. Pernath overgehouden, tot de tweede in de laatste stemronde met één stem meerderheid zijn confrater voorbijstreefde.’ Voor onze taal gebeurde toen iets bijzonder. Het was een aparte gebeurtenis naar aanleiding van de Arkprijs van het Vrije Woord die in 1961 aan de Antwerpse dichter Hugues C. Pernath werd de toegekend. Pernath was evenwel een nuchter realist: ‘Een prijs bewijst geen talent. Het is een toevallige erkenning door een toevallig aantal mensen die toevallig zijn samengebracht.’

Dat Pernath eindigde als laureaat is niet het bijzonderste. Het is naar aanleiding van deze prijs dat drie opmerkelijke letterkundigen zich tijdens het feest voor de laureaat tesamen konden uitspreken. Zestig jaar later kunnen we de uitkomst van die momentane en toch zeer speciale samenkomst nalezen. De plechtige zinnen uitgesproken in een gepolijst Nederlands, ter ere van de laureaat en door de laureaat, vinden we terug in het Nieuw Vlaams Tijdschrift, jaargang 14. De sprekers zijn achtereenvolgens Herman Teirlinck, Karel Jonckheere en Pernath zelf.


Herman Teirlinck

Tijdens het feestmaal voor de laureaat sprak Herman Teirlinck als volgt:

‘In alle kunsten gaat de evolutie van nieuw naar nieuw. Formeel wil dat betekenen dat een kunstprodukt, een kunstprestatie, een kunstproef, hoe dan ook nieuw moet zijn, dat zij moet verschillen van wat reeds werd gedaan door te doen wat nog niet gedaan werd. Ik beklemtoon hier de daad, want kunst is doen, niet voornemen, niet beweren, niet dromen – maar doen.’

En verder:

‘Het probleem van de doordringbaarheid, zegge de begrijpelijkheid van een dichtstuk heeft zich te allen tijde gesteld. En ik heb al meer verteld hoe, zestig jaren her, Gust Vermeylen het eens aan de stok kreeg met Prosper Van Langendonck naar aanleiding van ik weet niet welk vers van Van de Woestijne. Gust had zich laten ontvallen dat het vers bedenkelijk moest zijn vermits hij het niet verstond. Van Langendonck wierp op dat een gedicht niet langs verstandelijke wegen kon benaderd worden – maar langs de vele geheime paden der gevoeligheid. En dat men de doorbraak tot het poëtisch mysterie met veel geduld moest beproeven. Zo heeft Vermeylen waarschijnlijk dan gedaan want hij heeft nooit meer Van de Woestijne voor onverstaanbaarheid aangeklaagd.’


Karel Jonckheere

Vervolgens sprak de dichter Karel Jonckheere:

‘Het kenmerk van de ware ambachtsman, van de toekomstige meester, is dat hij bestendig begaan is met zijn alaam en zijn aangewende grondstof. Het is het enig domein dat ik, uiteraard van deze gelegenheidstoespraak, met enkele regels mag verluchten [..] Bij het bespreken van uw drie bundels werd door een der onzen het zo zelden nodig gebruikte woord ‘aristocratisch’ uitgesproken. Aristocratie betekent hier het verwerven van een graad van beschaving, een harmonie tussen de uiterlijke gedraging van uw vers en de door ons bevroede innerlijke noodzaak. En in uw vers betrekken we uw woordkeuze, uw lichamelijke beelden, uw timbre en uw tonaliteit. Aan innerlijke aanwezigheid twijfelen wij evenmin, mogen niet twijfelen: uw wereld bestaat want ze ligt geschapen in uw woorden.’


Hugues C. Pernath

Tenslotte sprak Hugues C. Pernath, laureaat van de Arkprijs:

‘Hier sta ik dan. Kaler, bleker dan ooit, te midden van drie generaties Nederlandse Literatuur [..] In naam van het Individualisme, in naam van mijn vriendschap dank ik U.

Pernath was dertig jaar oud toen hij deze grimmige woorden uitte over zijn gelaat en haarsnit. Hij zou na zijn dood met vlijt bestudeerd worden door prof. dr. Joris Gerits van de Universiteit Antwerpen. Joris Gerits behaalde in 1980 zijn doctoraat op proefschrift over Pernath. In het tijdschrift Streven schrijft Gerits over de Pernathiaanse methode: ‘Als Pernath zijn zinnen plots afbreekt, het object van een transitief werkwoord niet vernoemt of het hoofdwerkwoord van de zin verzwijgt, dan is de stilte die zo ontstaat geen lege afwezigheid, maar een afwezigheid die mogelijke betekenissen oproept, gesuggereerd door de woorden die men had verwacht maar niet geschreven vindt.’

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Foto: Hugues C. Pernath

 

Knipsel door Joris Gerits

Thuis geraakt hij niet,
nooit wordt voor hem een lam geslacht.
Babelse verwarring blijft zijn deel,
geen shrink krijgt hem geheeld.

Joris Gerits

Gerits was gangmaker bij het Hugues C. Pernath-Fonds. Hij bleef publiceren over Pernath, tot aan zijn dood in 2016. De autobiografie in dagboekvorm van Joris Gerits heet ‘365’ (Meulenhof, 2007). Het is op z’n minst een merkwaardig boek te noemen. Stilistisch afgepolijst gelijk een blinkende badkamer. Ik gebruik deze uitdrukking vrij naar wat ik gelezen heb in een ander opzienbarend ego-document: ‘Het verkoolde alfabet’ van Paul de Wispelaere (Privédomein, 1992).

Gerits schreef in Streven: ‘Pernath is de dichter van de pijn en van het pijnlijke gemis’. Ik heb 365 gelezen en herlezen. De cirkel werd rondgemaakt want het lot wilde dat 365 de autobiografie van de pijn werd en van het pijnlijke gemis aan de eega van Gerits, die hij doorheen het boek zijn ‘Licht’ noemt.

Joris Gerits vocht jaren tegen slokdarmkanker en takelde af. De details zijn beschreven in 365. Hij was een menselijk scheepswrak in wording, une épave. Ik heb hem in betere tijden gekend toen hij aan ons studenten in de rechten (UFSIA) het vak rechtstaalbeheersing doceerde. Gerits was een gematigd en verlicht man want tijdens een college proclameerde hij dat een dt-fout niet het einde van de wereld was op een toets.

In het dagboek 365 van Joris Gerits staat de eenvoudige zin :  ‘Ik heb verdriet’. Ach professor Gerits, je was een aimabel hoogleraar, je praatte met ons studenten tijdens de pauze, je grapte hoe je als jonkman in Nederland werd uitgelachen toen je je ribfluwen broek als een floeren broek omschreef. Hilariteit alom, zei je. We stonden in de gang van het R-gebouw en ik at een appel. Je citeerde het Oude Testament over het incident in de tuin van Eden. Ik zei niets, ik knikte, ik wist op dat moment niet dat je in een ver verleden jezuïet was geweest. Ik wist ook niet dat je een Pernath-kenner was. Ik wist niet wie Pernath was.

 

 

 

 

 

 

 

 

Foto: Joris Gerits

 

Voor Guy Vandenbranden door Hughues C. Pernath

Zelfs de dood zal mij niet loven
Geen woord verklaren hoe de enkeling,
Dit gebaar van uur tot uur
Zijn afdruk laat tussen kwaad en goed.

In zijn autobiografisch dagboek 365 beschrijft Gerits hoe hij bloemen neerlegt op het graf van een jezuïet die zich zijn hele leven had beziggehouden met het theologisch vraagstuk van de transsubstantiatie. Waar ligt het graf van prof. dr. em. J. Gerits en wie legt daar bloemen? Op het thuisblad van het Hugues C. Pernath-Fonds staat een necrologie voor de betreurde prof. Er staat letterlijk geschreven over Joris Gerits: ‘Zelden kruiste een meer zachtaardig en genereus mens mijn pad.’

Hugues C. Pernath is nooit tot scheepswrak geworden. Hij stierf in 1975 plots aan een hersenbloeding op de trappen van het literaire café Vecu in Antwerpen.

 

Geplaatst in Column.