Pleidooi voor een goed voornemen

door Jan Loogman

Vandaag de dag zijn veel mensen in Nederland en Vlaanderen op zoek naar een goed voornemen. Soms vinden zij er een. Zondag had ik me voorgesteld / in de hangmat door te brengen / tussen de stevige stammen van de bomen / dicht boven de aarde / en van de hemel ver genoeg verwijderd /om me een mens op zijn plaats te voelen. Op deze beschrijving van een mooi voornemen laat Remco Campert deze regel volgen: Maar het regende. De regel is een waarschuwing aan mensen:  houd rekening met de omstandigheden als je goede voornemens formuleert.

Tegenwoordig hebben goede voornemens van mensen nogal eens betrekking op hun deelname aan het verkeer. Daarin willen zij betere keuzes maken. Vorig jaar namen zij zich al voor geen vliegreizen meer te maken, maar nu willen zij ook hun dagelijkse mobiliteit veranderen: vaker lopen, meer fietsen, minder autorijden, vaker het openbaar vervoer gebruiken. Hun voornemen onderbouwen ze door te wijzen op de ontwikkeling van ons klimaat, de achteruitgang van ons leefmilieu, de drukte op de wegen. ‘Mijn bijdrage is misschien slechts een druppel op de gloeiende plaat, maar toch hè, als iedereen nu eens de auto liet staan…’

De uitvoering van deze goede voornemens stelt mensen vervolgens voor problemen. In de werkelijkheid van alledag spelen factoren een rol, die zij in de idealistische zoektocht naar een goed voornemen over het hoofd zagen. Wat het meeste opvalt, is dat alles meer tijd kost dan voorheen, toen zij nog de auto gebruikten. Vooral de reis van huis naar werk duurt met openbaar vervoer lang. Allicht voegen mensen zich als forens bij het leger van mopperaars op het openbaar vervoer en komen zij terug op hun voornemen. Zij stappen weer in de auto. Hadden ze de  nadelen niet kunnen voorzien en toch tot hetzelfde voornemen kunnen komen? Misschien en het had daarbij geholpen als zij ook rekening hadden gehouden met niet voor de hand liggende voordelen.

De bus rijdt als een kamer door de nacht / de weg is recht, de dijk is eindeloos, dichtte Vasalis tientallen jaren geleden. De reiziger zit in de bus over de Afsluitdijk: links ligt de zee, getemd maar rusteloos, / wij kijken uit, een kleine maan schijnt zacht. // Vóór mij de jonge pas-geschoren nekken / van twee matrozen, die bedwongen gapen / en later, na een kort en lenig rekken / onschuldig op elkanders schouder slapen. Na deze regels vertelt het gedicht wat het ik-personage nog meer ziet, een wonderlijke verdubbeling of juist splitsing van binnen en buiten is er in de bus, en het besluit met deze drie regels: Er is geen einde en geen begin / aan deze tocht, geen toekomst, geen verleden, / alleen dit wonderlijk gespleten lange heden.

 

Een paar weken geleden maakte ik ook een busreis. De trein vanuit Amsterdam naar de kop van Noord-Holland strandde in Uitgeest. Wie verder naar het noorden wilde moest het maar uitzoeken. Het schemerde al toen we het Uitgeester treinstation uitliepen. Aan de bushalte stond een bus te ronken; als bestemming lichtte ‘Alkmaar’ op. We versnelden onze pas, stapten in, de ene reiziger na de andere, totdat de bus afgeladen vol was. De chauffeur startte de motor en daar reden we. Dat Uitgeest ook zijn buitenwijken heeft, merkten we vandaag voor het eerst op. Elke kou verdween uit de bus, zo dicht zaten en stonden we op elkaar. De ruimte ontbrak zelfs om op de eigen mobiele telefoon te kijken. We keken naar elkaar en luisterden naar een groepje jongens die hun praatjes luider lieten klinken toen zij hun publiek opmerkten. Ze maakten grapjes over de warmte en vroegen de chauffeur of deze bus ook airco had. Hij begreep de wenk, koude lucht stroomde onze kragen binnen en de jongens begonnen nog meer grappen te maken. Een van hen drukte per abuis op de stopknop en moest van zijn kameraden een liedje zingen voor de chauffeur. Dit was geen machtsmisbruik maar een goedmoedig plagen. ‘Busje komt zo,’ zong de jongen en wij  applaudisseerden. We bereikten Alkmaar. ‘Topper,’ riepen de passagiers naar de chauffeur toen zij uiteindelijk bij het treinstation de bus uitstapten om de trein naar het nog verdere noorden te nemen. Zelf kon ik te voet op weg naar huis en tijdens deze wandeling genoot ik na van de onverwachte busreis, het samenzijn met andere mensen.

Een ander verplaatsingspatroon leidt tot andere tijdsbesteding. Lopen, fietsen en openbaar vervoer zijn stuk voor stuk vormen van verplaatsing, die meer tijd nemen dan autorijden. Wie erover denkt voor deze andere vormen van mobiliteit te kiezen, kan dit onder ogen zien en toch voor deze vormen van verplaatsing kiezen.

Bestijg de trein nooit zonder uw valies met dromen, schreef Jan van Nijlen die dit voorschrift mede motiveerde vanuit de onontkoombare traagheid die het openbaar vervoer meebrengt: En als de trein niet voort wil, zeer ten detrimente / van uwe lust en hoop en zuurbetaalde centen, / blijf kalm en open uw valies; put uit zijn voorraad / en ge ondervindt dat nooit een enkel uur te loor gaat.

Een langere reisduur kost geen tijd, maar levert tijd op, om te dromen, te kijken naar het uitzicht, te luisteren naar de medereizigers en hun praatjes en dromen. Dat is goed bestede tijd, juist in 2023.

 

 

afbeeldingen
1. Pixabay
2.  www.festival.travel
3. www.uitgeester.nl
4. www.huisvlijt.com

 

Geplaatst in Column.