LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Honderd Jaar Dada

19 mrt, 2023
door Hans Franse

 

 

Op 10 januari 1923 werd voor de eerste keer in Nederland aandacht gewijd aan een kunststroming die geen kunststroming was, maar alles te maken had met de Eerste Wereldoorlog: DADA.  Een groep kunstenaars, bijeengebracht door de vlucht voor de oorlog, brak de taal die medeverantwoordelijk was voor die onmenselijke oorlog af en ridiculiseerde de hogere kunst van de goddelijke, hemels geïnspireerde dichters met een Hooofdletter D: het zorgvuldige estheticisme bleek een leugen. In een etablissement in Zürich ontstond ‘Cabaret Voltaire’. Er waren onzinteksten, schimmenspelen. Tristan Tzara, een Roemeen, maakte gedichten met uitgeknipte letters: weg inspiratie: hallo schaar en lijmpot!

Het proces is vergelijkbaar met wat er na de tweede wereldoorlog gebeurde in Donau-Eschingen waar jonge musici een nieuwe muzikale taal zochten.
Theo van Doesburg (ps. van Chr. Küppen) had de ‘stroming’ ontdekt, hij ontmoette beeldend kunstenaar/dichter Kurt Schwitters in 1920, er ontstond een correspondentie. In 1921 besprak hij in ‘De Stijl’ werk van Tristan Tzara, Arp en Picabia en las Anna Blume, het gedicht van Schwitters. Onder een nieuw pseudoniem I.K.Bonset begon hij zelf te dichten, aanvankelijk redelijk begrijpelijk al was het ongewoon, maar een taalkundige explosie als CENTRA  was revolutionair.
Van Doesburg zag dat een groep kunstenaars overal in Europa lezingen over DADA en constructivisme hield, Bauhaus begon zich te manifesteren. Hij wilde dat ook in Nederland, besprak zijn ideeën met een groep kunstenaars en sterk gestimuleerd door Vilmos Huszàr, beeldend kunstenaar van Hongaarse afkomst, die een ‘veldtocht’ in Nederland wilde, organiseerde men een tournee (1922). Men dacht eraan naast Schwitters ook Tzara, Hausmann en Arp uit te nodigen. Mogelijk door financiële oorzaken kwamen alleen Schwitters en zijn vrouw naar Nederland. Zij trokken in bij Theo van Doesburg en zijn partner, de pianiste Nelly van Moorsel, die een huis huurden in de bloemen- en plantenbuurt in Den Haag. Huszàr had een mechanische pop geconstrueerd (denk ook aan de Triadische balletten van Oscar Schlemmer), Kurt Schwitters zou teksten en gedichten voordragen, Nelly pianospelen en van Doesburg een verhandeling houden over de esthetische functie van DADA.
Alles vond plaats in de Haagsche Kunstkring op 10 januari 1923; Den Haag, toen nog een belangrijk cultureel centrum, kreeg de primeur. ‘De Haags(ch)e Kunstkring’ opgericht door Théophile de Bock, floreert nog steeds en is gevestigd in zijn gebouw aan de Denneweg. Deze DADA veldslag vond echter plaats in de Rolzaal aan het Binnenhof.
Kurt Schwitters sprak geen Nederlands, maar demonstreerde de geest van DADA; toen van Doesburg even een slok water nam, begon hij in de zaal te blaffen en vreemde geluiden te maken. Even later blafte, miauwde, kraaide of brulde de hele zaal. Intussen verzekerde van Doesburg dat Dada ‘geen kunstbeweging’ was, ‘maar de meest onmiddellijke uitdrukking van onzen vormloozen tijd’, zonder ‘dogma’s en -ismen’. Daarna droeg Schwitters zijn werk voor o.a. ‘Ursachen und Beginn der grosse’glorreichen Revolution in Revon’, een reeks vragen, eindeloos herhaald ‘Mama, da steht ein Mann!’ Er werd gelachen, geprotesteerd. Men ergerde zich en schrok toen ineens de mechanische figuur als een moderne Wajangpop verscheen. Een ‘heer van de Haagsche Kunstkring’ had als dankwoord: ‘domodomdomdom, domderedom, domderedom, heeldom, meer dan dom,meerdandom DOM’, terwijl Nelly ‘Ragtime’ van Satie speelde. Kortom: zoals de Haagsche Courant schreef: ‘Het was een onzin van jewelste’! Men amuseerde zich hiermee kostelijk en ‘t applaus voor zoveel vermaak was welverdiend’. Dada ontwikkelde zich in Berlijn verder en groeide tot constructivisme en surrealisme. Veel van wat zoveel ‘amusement’ opleverde werd door Hitler als ‘entartet’ afgekeurd.
De veldtocht trok door Nederland naar Amsterdam en Utrecht, waar het publiek gillend van het lachen het podium opkroop, naar Drachten en trad nog een paar keer in Den Haag op. Elk publiek kwam met toeters en bellen. De Haagsche Courant: ‘..er waren onder het publiek die zich hadden voorbereid en gekomen waren met toetertjes en andere geluid makende speelgoederen’. Er kwamen in de noordelijke Nederlanden weinig discipelen van Dada naar voren, misschien omdat de oorlog van 14/18 niet onder ons had huisgehouden. Wel in Vlaanderen, waar van Ostaijen, zeker een groter dichter dan van Doesburg, de taal afbrak en een uniek lyrisch poëet werd.

We herdachten in de Haagse Kunstkring op 10 januari de presentatie van Dada en reconstrueerden een cabaretavond in Voltaire op 22 januari, waarbij ik als Tristan Tzara optrad en krantenkoppen uit een hoed liet trekken en daar vervolgens iets mee deed. Er was een beeldschone tentoonstelling waarin kunstenaars reageerden op Dada en de dichters hun woorden verzamelden. Er is een mooie catalogus, waaraan ik veel ontleend heb: ‘Een vormloozen tijd’100 jaar Dada in de Haagse Kunstkring’. Het boekje kost 10 Euro.

 

foto’s en collages © Hans Franse

     Andere berichten

Als de zomer eens komt

door Hans Franse   Ik houd erg van ‘petite histoire’, de geschiedenis van kleine mensen soms in een grootse tijd. Wij kennen dan de...

Kunst en afgunst

Kunst en afgunst

door Rogier de Jong     Afgunst Afgunst, adder, is geduldig, haar beet verraderlijk. De overvloed aan stenen, gras en...

Waar een busreis toe leiden kan

door Marc Bruynseraede   In de jaren zeventig kwam ik in contact met Ton Luiting, dichter-journalist bij De Gooi- en Eemlander en...