LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Gerrit Kouwenaar – Verzamelde gedichten

22 sep, 2023

‘De vlinder die uit zijn vleugels valt’

door Herbert Mouwen




Het verschijnen in 2023 van de Verzamelde gedichten van Gerrit Kouwenaar en de twee biografieën over zijn leven, resp. men moet van Arjen Fortuin en Morgen wordt het voor iedereen maandag van Wiel Kusters, kan beschouwd worden als een eerbetoon aan het uitzonderlijke dichterschap van Gerrit Kouwenaar. Op 9 augustus 2023 was het honderd jaar geleden dat de dichter in Amsterdam geboren werd. Bijzonder in de samenstelling van dit volumineuze boek is dat gedichten die niet in de zeventien oorspronkelijke bundels in het eerste deel zijn gepubliceerd alsnog in het tweede deel met ‘Overige gebundelde gedichten’ zijn opgenomen. Bovendien heeft in dit laatste deel de geïllustreerde kleurenprint ‘goede morgen haan’ (1949) – teksten en tekeningen die Gerrit Kouwenaar samen met Constant Nieuwenhuys maakte – een plaats gekregen. Zo doe je als samensteller (i.c. Mirjam van Hengel) echt recht aan het begrip verzameld.

Na de Tweede Wereldoorlog waarin Kouwenaar zelfs gevangen heeft gezeten, sloot hij zich met Lucebert en Jan G. Elburg aan bij de Experimentele Groep Holland, die later opging in de internationale Cobragroep. Hij publiceerde in De Waarheid, Vrij Nederland en Het Vrije Volk en was redacteur bij de tijdschriften Podium en De Gids. Hij wist de poëzie van de Vijftigers een theoretische basis te geven door zelf de bundel Vijf 5-tigers samen te stellen en de inleiding te schrijven. Ook in zijn voordrachten, lezingen en interviews zette hij zijn literaire principes uiteen. In 1949 verschijnt in Reflex de verhandeling ‘Poëzie is realiteit’ waarin Kouwenaar de nieuwe poëzie verbindt met sociale en maatschappelijke kwesties, die de mens raken. Dichten doe je onderzoekend vanuit de fysieke en zintuiglijke werkelijkheidsbeleving, niet vanuit een ideeënwereld of esthetische principes. Vanuit deze kunstopvatting ontwikkelt Kouwenaar zich later tot een dichter die de relatie tussen taal en realiteit steeds meer als een probleem ging zien en voor wie het taalproduct belangrijker werd dan het proces van het dichten. Taal was voor hem onbetrouwbaar. Hij ging vanuit het materiaal taal steeds concreter schrijven. Het gedicht raakte los van de maker en werd een autonoom, objectief taalconstruct. In het gedicht ‘iets vullen’ uit de bundel met de veelzeggende titel ‘wat men ziet’ is deze concreetheid en de poëtische beweging waarneembaar:

iets vullen

Avond en alleen in het gras

wat te doen?
een boterham maken? zo’n gedicht? of
de boterbloem
op luis onderzoeken?

langzaam schrijft het oog wat men leest:
het huis dat ademt en zwart wordt
de eierschaal krakend onder de voet

het geluid dat kleurloos is
en nu in de lucht en straks in dit boek
uiteenvalt

een brief schrijven, de klok stilzetten, twee punten
met een lijn verbinden, iets vullen, desnoods
een glas –

Kouwenaar gebruikt veel woorden uit het leven van alledag in zijn poëzie, woorden die o.a. met eten (‘boterham’) en drinken (‘desnoods een glas’) te maken hebben. De tegenstelling licht-donker en ochtend-avond komt ook geregeld terug in zijn gedichten. Hij is een dichter die schuurt en schaaft aan woordbetekenissen, behoedzaam schuift van de ene naar een mogelijk andere betekenis. Zo heeft hij zijn woordgebruik gedurende zijn dichterschap ontwikkeld tot een hoogstaand creatief woordenspel met betekenissen die woorden kunnen hebben of krijgen. Het is veelal een beeldenspel van bedrieglijke eenvoud, zoals bovenstaand gedicht o.a. laat zien in ‘schrijft het oog wat men leest’ en ‘het huis dat ademt en zwart wordt’. In de eerste strofe is het schrijven van een gedicht (‘zo’n gedicht’) op haast banale wijze aangekondigd. De stapeling van beelden, dat tegelijkertijd een onderzoek naar de beeldende mogelijkheden in het gedicht behelst, is typisch voor Kouwenaar. Het schrijven van reeksen gedichten, al dan niet genummerd, ook.

Hoewel veel lezers zijn poëzie niet als gemakkelijk toegankelijk beschouwen, bevatten de gedichten een tweetal kenmerken die typisch voor Kouwenaar zijn en daardoor de directe herkenbaarheid van zijn poëzie voor de lezer vergroten. Ten eerste wordt het persoonlijk voornaamwoord ‘ik’ in de gedichten geleidelijk vervangen door het onbepaalde voornaamwoord ‘men’, wat de afstand tot de maker en de lezer groter maakt en uiteindelijk opheft. Let op de ambigue betekenis in bovenstaand gedicht van ‘men moet zich hier uitschrijven’ en – let op de titel men moet van de biografie van Fortuin! – op het dwingende karakter van een versregel als ‘men moet zich verzwijgen’. Ten tweede worden veel gedichten van Gerrit Kouwenaar afgesloten met een gedachtestreepje. Wiel Kusters ziet het niet als een definitieve afsluiting van het gedicht, maar wijst op de spanning tussen de dynamische leesroute die de lezer nog moet afleggen en het statische gedicht zelf, waarin de maker van het vers in opgegaan is. De discussie over de functie van dit leesteken is nog steeds gaande. Kouwenaar heeft m.i. het gedachtestreepje zoveel toegepast in de lange periode van zijn dichterschap dat de betekenis ervan in het begin een ontwikkeling behelst van afsluiting en later, nadat hij het vrijwel altijd heeft toegepast, de betekenis heeft zoals Kusters het ziet: de spanning blijft, het gedicht is niet af. In mijn optiek gaat de interpretatie van de betekenis van het gedachtestreepje nog een stap verder. De gedichten in de bundel worden verbonden door de gedachtestreepjes, die daardoor verbindingsstreepjes worden, ofwel schakels zijn in een ketting van gedichten. Zo worden zelfs bundels aan elkaar gekoppeld. Ook in ‘de laatste dagen van de zomer’ uit de bundel een geur van verbrande veren (1991) zien we deze kenmerken terug:

Trager de wespen, schaarser de dazen
groenvliegen grijzer, engelen gene, niets
dat hier hemelt, alles brandt lager

dit zijn de laatste dagen, men schrijft
de laatste stilstand van de zomer, de laatste
vlammen van het jaar, van de jaren

wat er geweest is, is er steeds nog even
en wat men helder ziet heeft zwarte randen

men moet zich hier uitschrijven, de tuin
in de tuin insluiten, het geopende boek
het einde besparen, men moet zich verzwijgen

verzwijg hoe de taal langs de lippen invalt
hoe de grond het gedicht overstelpt, geen mond
zal spreken wat hier overwintert –

Deze fraai uitgegeven bundel Verzamelde gedichten bevat een ‘nawoord’, een ‘verantwoording’, een ‘bibliografie’ en een ‘register op titel en beginregel’. Mirjam van Hengel, die de bundel samenstelde, wijst in haar ‘nawoord’ op de hermetische poëzie in Kouwenaars beginperiode en zijn meer toegankelijker werk aan het einde van zijn leven. Ze wijst op zijn ‘vastprikken van een moment, een minuscuul scherfje tijd’. Van Hengel stelt: ‘Belangrijk was niet de grote vondst maar de kleine, betekenisvolle vangst van het ogenblik.’ In de geciteerde gedichten, die in deze recensie zijn opgenomen, zijn talloze van deze momenten waar te nemen. Om er enkele te noemen: ‘het geluid dat kleurloos is’, ‘wat men helder ziet heeft zwarte randen’ en ‘de maaltijd zweet zich koud’. Ook het eerste geciteerde gedicht ‘iets vullen’ bevat zo’n betekenisvol moment. Dit moment lezen we al in de eerste versregel: ‘Avond en alleen in het gras’, een situatie bestaande uit een tijdsmoment en een aanwezige persoon. Hierna wordt de lezer met vier vragen geconfronteerd en worden al schrijvende antwoorden gegeven. Het lijkt alsof het gedicht zich verder zelf schrijft, onpersoonlijker wordt, alsof de dichter afwezig is of in het gedicht zelf verdwijnt. Wel is er aan het slot een lijn uitgezet: ‘twee punten / met een lijn verbinden, iets vullen, / desnoods een glas –’

Aan de hand van zijn voorlaatste bundel totaal witte kamer (2002) stelt Van Hengel dat Kouwenaars poëzie ‘een volstrekt eigen idioom, even beheerst als vrij, dat wortelt in het experimentele maar contact legt met het verstaanbare’ bevat. Dit ‘nawoord’ dat het beste door de lezer, die niet zo bekend is met de poëzie van Gerrit Kouwenaar, als voorwoord gelezen kan worden is een uitstekende, korte inleiding op het werk van deze dichter. Tot slot vermeldt Van Hengel dat het gedicht ‘De ochtend’ dat verschillende malen in een aangepaste vorm is gepubliceerd, eerst in Het Liegend Konijn (2005) verscheen. Daarna bewerkte Kouwenaar het nog enkele malen en verscheen het in een bibliofiele uitgave van Uitgeverij 69. De dichter heeft het vers veelvuldig voorgedragen. De samensteller heeft het als laatste gedicht in het eerste deel van deze Verzamelde gedichten opgenomen. Het is zonder meer een poëticaal gedicht, dat zijn volledige, rijke oeuvre beslaat.

De ochtend

De ochtend dat het nooit meer avond wordt
talend naar stilstand was het nooit zo licht

de boomtop staat in brand in vlammen roerloos wit
het maaiveld kraait geen haan, nooit meer ontledigt zich

de dag vriest in zijn datum vast, hij ziet zich na
over de brug van taal die anderzijds niets is

hier hoort men thuis opdat men zich verliest
de maaltijd zweet zich koud, de foto drinkt zich blind

hier duurt zich wat bedierf, namaals is goudpapier
dun als de vlinder die onwetend rouwt
en in zijn mantel uit zijn vleugels valt –

____

Gerrit Kouwenaar (2023). Verzamelde gedichten. Samengesteld door Mirjam van Hengel. Querido, 912 blz. € 49,99. ISBN 9789021482194

     Andere berichten

Daan Doesborgh – Moet het zo

Zo moet het door Ivan Sacharov - - Wat verwacht men eigenlijk van een recensent? Daar zijn allerlei opvattingen over. Maar ik denk dat het...