LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Interview Bart FM Droog

28 sep, 2023

Droog, de man van N.N. Boterdiep *

door Gerard Scharn

 

Bart FM Droog (Emmen, 18 februari 1966) is een Nederlandse dichter, bloemlezer en onderzoeker, die zich met de vasthoudendheid van een bull terrier in een eenmaal gesignaleerd onderwerp waar list en bedrog evident zijn, vast bijt.

* N.N. Boterdiep is de titel van het gedicht dat Droog als stadsdichter schreef toen een onbekende uit het Boterdiep werd gevist en op kosten van de gemeente werd begraven. Hij droeg het voor toen de man ter aarde werd besteld. Sindsdien kennen wij het fenomeen van de eenzame uitvaart!

foto Janne, 1983/1984

 

NOVGOROD

Op een dag halverwege twee
ongekende doelen bereikten wij
Novgorod, nieuwstad

Moskou lag nog plat en wat
later Sint-Petersburg werd
was nog poel van mug en rot

het land, zo groen, zo groots, haven
voor vogels vluchten vol, ze vulden
de luchten boven de trage heuvels

we lagen en laafden ons ’s nachts
aan wolken die rond de maan slopen
nergens waren we ooit zo aaneen.

Novgorod, verscheen ter gelegenheid van Koppermaandag, Houwerzijl, 13 januari 2014

Je nieuwste bundel Geite Gods gedichten 2013 – 2023 is slechts als pdf te downloaden, dus zonder de mogelijkheden die een gedrukte versie biedt – zoals opmaak, typografie en meer van die dingen die een lezer laten verlangen naar een papieren editie.
Hoho! Aan de opmaak en typografie is in Geite Gods juist veel aandacht besteed. Bovendien kan je in een e-boek de leesgrootte zelf instellen, zodat je niet afhankelijk bent van een bril of ander optisch hulpstuk – maar dit terzijde.

Ik meen een diep doorleefd en beleden pessimisme te lezen, in messcherpe verzen met een wel versneden pen geschreven. Je aversie tegen de gevestigde orde spreekt voor zich maar ook het mededogen met de slachtoffers; mag ik de dichter Bart FM Droog vereenzelvigen met de persoon Bart FM Droog?
In grote lijnen: ja. Wat niet wil zeggen dat de ik-personages in de gedichten automatisch versies van Bart FM Droog zijn. Neem het titelgedicht: de ik-persoon is daarin Vladimir Vladimirovitsj Poetin – een persoon waarmee ik me absoluut niet vereenzelvig.

Rottend Staal en Dichters uit Epibreren zijn de bakermatten geweest van nieuwe stromingen binnen de vaderlandse poëzie en zonder meer als trendsettend te beschouwen. Je stond ook aan de wieg van het stads- en grafdichtersschap. Beide niet meer weg te denken uit het poëticale landschap in Nederland en België. Ook ben je sinds twaalf oktober 2012 initiatiefnemer van de Nederlandse Poëzie Encyclopedie.
‘Bakermatten van nieuwe stromingen’ lijkt me iets te veel eer. Zonder voorgangers als bijvoorbeeld Johnny van Doorn, J.A. Deelder en Bart Chabot en hun voorgangers waren De Dichters uit Epibreren waarschijnlijk nooit ontstaan. En Rottend Staal – aanvankelijk was het een papieren tijdschrift (1995-2000), waarin we ruimte gaven aan gelijkgezinde stemmen. In het jaar 2000 werd het een louter online poëzieperiodiek, met nieuws en gedichten. Maar het was beslist niet het eerste.  Het enige écht vernieuwende was dat Rottend Staal vrijwel dagelijks ge-update werd, wat toen op andere soortgelijke sites nauwelijks gebeurde – omdat men daar nog teveel in het uitbrengen van een wekelijkse of maandelijkse editie dacht.

Over het stadsdichterschap: het was, toen ik in 2001 het concept bedacht, een uitbouw van het Dichter des Vaderlandschap en het huisdichterschap van de Rijksuniversiteit Groningen. Het was dus geen ‘epifaan’ moment.
Het grafdichterschap, beter bekend als het eenzame uitvaart-gebeuren, hing nauw samen met het stadsdichterschap. Het was vooral bedoeld als sociaal-maatschappelijke invulling van die functie.

De Nederlandse Poëzie Encyclopedie is weer een heel ander verhaal; het project is ontstaan uit nieuwsgierigheid naar het aantal landelijk publicerende dichters in Nederland en Vlaanderen. Omdat ook dichters de vervelende gewoonte hebben te sterven, bleek al snel dat die vraag alleen te beantwoorden was als je geboorte- en sterfdata van alle in aanmerking komende poëten registreert, zodat je per jaar een ongeveer-aantal kan noemen. Maar goed – als ik daarover begin ben ik volgend jaar nog aan het vertellen. Het is een ongoing project, dat ik denk ik voor mijn eigen dood niet kan afronden.

TRAINSPOTTING

    Amsterdam Centraal
    5-6-1998
    perron 11-B

De Belgische loc 1187
werd eerder gesignaleerd
dan de Nederlandse locs
1746, 1743 en 1723

waarbij gezegd dat die
de dubbeldekstreinstellen
8217, 7352, 7405 en 7456
aan mij voorbij trokken

zelf stapte ik in koploper 4030
en mompelde gedicht 1998/6
in Amersfoort voor me uit
waarop 7 Oost-Groningse vrouwen

op terugtocht van dagje shoppen
en in uitgelaten stemming
vroegen om hardere herhaling
voluit en uit het blote hoofd

deed ik dat en met vuur
voor 23 medepassagiers
welke zich allen ophielden
in de rookcoupé van de 4030

die ons, met veel oponthoud
uiteindelijk terug
naar het Noorden bracht tot
perron 2 A/B, Groningen Centraal.

uit Benzine, Uitgeverij Passage Groningen, 2000

Toch weet je dat je een klein lezerspubliek bedient zonder je daardoor te laten ontmoedigen. Waarom?
Wel, klein, klein… wat is klein? Rottend Staal had indertijd als papieren tijdschrift een maximale oplage van 450 exemplaren. Toen we online gingen hadden we al snel dagelijks enige honderden lezers en op jaarbasis tienduizenden. Ik heb, al dan niet solo, als voorprogramma van het ska-orkest Jammah Tammah of met De Dichters uit Epibreren, voordrachten gegeven voor publiek van één persoon tot – een enkele maal – vele miljoenen. Over aandacht in de media heb ik nooit te klagen gehad – behalve in de begindagen van Epibreren, toen ik alle p.r. verzorgde en ik dús nooit tevreden was.

Mijn papieren dichtbundels zijn nooit bestsellers geworden, al zijn gedichten eruit in bloemlezingen beland die wel het brede publiek bereikten – een lot dat ik met veel dichters deel.
De stadsgedichten die ik schreef werden ook afgedrukt in de Groninger Gezinsbode, een goed gelezen huis-aan-huiskrant waarin ook de mededelingen van de gemeente Groningen aan haar burgers staan. In 2020-2022 was ik ‘huisdichter’ van The Post Online, een goedbezochte nieuws- en opiniesite, dus klein… klein… ik denk dat het wel meevalt.
Als geen van mijn dichtprojecten bezoekers had getrokken, of elke keer minder, dán had ik waarschijnlijk wel ergens, lang geleden, het besluit genomen niet langer met m’n gedichten in de openbaarheid te treden.

VECTRA IN DRENTHE

Vijf uur rijden, dan schuift de dag
uit het oosten opwaarts
over bevroren land naast de A28
op een wintervroege morgen

België ligt achter ons en zo
de sneeuwstorm op de Veluwe
grijs strekt de rijbaan noordwaarts
door Drenthe op Groningen aan

in mijn Vectra trek ik op
en zing de slaap uit mijn leden
nu vrienden op achterbank ronken

onderweg het beste bestaan
en zondags `s ochtends zo rond zessen
ligt deze wereld licht besneeuwd
alleen voor jou mij aan te gapen.

uit Benzine, Uitgeverij Passage Groningen, 2000

In 2013 schreef Volker Ullrich in Adolf Hitler dat er al 120.000 werken over hem (AH) in de bibliotheken te vinden zijn. Nu werk jij samen met Jaap van den Born om de Hitlervervalsingenindustrie in kaart te brengen, waarin schimmige en malafide figuren een hoofdrol spelen met hele en halve waarheden en met tegenstrijdige meningen geschreven door zelfbenoemde deskundigen die hun mening voor waar willen laten doorgaan. Een boeiend onderwerp maar waarom?
Voor ons begon het met het in 2016 verschenen boek Bloemen van het kwaad van Paul Damen, een bundel met ruim dertig levensbeschrijvingen en gedichten van wat de auteur ‘dictators’ noemde. Het meest spraakmakende waren de vier opgenomen gedichten ‘van’ Hitler.
Eén van die gedichten – het ‘Moedergedicht’  –  had ik al rond 2000 bestudeerd, nadat Menno Wigman het naar mij had opgestuurd met de vraag: ‘Is dit echt van Hitler?’  Het leek me hoogst onwaarschijnlijk, maar ik kon hem geen hard antwoord geven.
Toen datzelfde gedicht in 2016 in Trouw als voorpublicatie van Damens boek werd afgedrukt – we waren toen toevalligerwijze Trouw-abonnee – onderzocht ik het opnieuw. Dankzij de toenemende digitalisatie van allerhande archieven en mijn knowhow hoé te zoeken, vond ik binnen drie uur het antwoord. Het gedicht was niet door Hitler, maar door de ‘vergeten’ Duitse dichter Georg Runsky geschreven, in of vóór 1906.

Ik informeerde Trouw. Ik informeerde Menno Wigman, die het nawoord van Bloemen van het kwaad geschreven had. Noch de krant, noch Menno wilde me geloven. Want de auteur en diens uitgever hadden verzekerd dat het Hitlergedicht écht door Hitler geschreven was en daarmee basta.
Daarop besloot ik een artikeltje over het bedrog te publiceren en c’est ça. Tot eind 2016, ins Blaue hinein, Paul Damen, de Kwade Bloemen-auteur, Jaap van den Born en mij gaat bedreigen, als we op Facebook babbelen over het bewuste boek en vertaalproblemen. Jaap en ik besluiten daarop diens boek grondig te onderzoeken. Want als iemand ons zó intimiderend benadert terwijl we ons van geen kwaad bewust zijn, dan is dat een teken dat er iets grondig mis is. En dat bleek: begin 2017 publiceerden we het nieuws dat Bloemen van het kwaad een boek was dat van bedrog aan elkaar hing. Ons bewijsmateriaal was zó overtuigend dat Menno Wigman het nawoord introk. NRC en De Standaard berichtten erover, waarop Trouw héél schoorvoetend toegaf misleid te zijn. Enfin; zie De Reactor voor een uitgebreide versie van dit verhaal. Of zie ons online-dossier.

Dan: eind 2017 komt het NIOD met het bericht dat ze een hoogstwaarschijnlijk echt Hitlerschilderij verworven hebben. Dat bericht wordt wereldnieuws. Jaap en ik zien in wat het NIOD over dat werk naar buiten brengt veel parallellen met het Hitlergedichtgebeuren. We besluiten daarop de NIOD-claim te onderzoeken en ontdekken dat die voornamelijk op gebakken lucht is gebouwd. We berichten daarover. En ook dat wordt wereldnieuws.
Bij dat onderzoek vinden we uit dat over Hitler-de-kunstenaar vrijwel niets betrouwbaars geschreven is. Vrijwel alles stamt van óf de notoir-leugenachtige Hitler, óf van charlatan Reinhold Hanisch óf van Hitlers jeugdvriend August Kubizek – wiens naoorlogse memoires voor 90% uit verzinsels bestaan – of van Hitlers al even onbetrouwbare vriend, zakenpartner en lijffotograaf Heinrich Hoffmann, of van latere oplichters.
Er is evenwel betrouwbaar materiaal. Een Oostenrijks politie-onderzoek naar Hitlervervalsingen, uit 1936, dat we aantroffen in het Bundesarchiv in Berlijn. Het archief van de Oostenrijkse Hitler-biograaf Franz Jetzinger, dat bewaard wordt in een archief in Linz. En ander waardevol materiaal, dat in diverse over de wereld verspreide archieven bewaard is.
We zijn nu bezig al dat materiaal te verwerken tot een boek, waarin beschreven staat wat Hitler in 1910-1917 écht maakte en hoe de Hitlervervalsingenindustrie zich vanaf 1933 tot nu ontwikkelde.

Het gedicht WIN FRISA SWERDA SPREKA opgenomen in Moordballaden en ook in Geite Gods over de moord op Bonifatius te Dokkum en volgens de toelichting mondeling van generatie op generatie doorgegeven binnen een geslacht van adellijke Friezen waarvan de naam niet wordt genoemd en toegeschreven aan Saxnot Fosite (ca. 708 – ca. 763) laat mij twijfelen over de authenticiteit en de herkomst. Onwillekeurig dacht ik aan François HaverSchmidt en het aan hem toegeschreven Oera linda-boek die goedgelovige Friezen en anderen op het verkeerde been heeft gezet. Is mijn twijfel gerechtvaardigd?
Het Oera Linda-boek is door Goffe Jensma in De Gemaskerde god. François HaverSchmidt en het Oera Linda-boek (proefschrift, Groningen, 2004) volkomen ten onrechte aan Piet Paaltjens / François HaverSchmidt toegeschreven.  De aan tunnelvisie lijdende Jensma bouwt veronderstelling op veronderstelling, met enkel als doel te bewijzen dat HaverSchmidt de auteur was, waarbij hij rücksichtlos de bevindingen van J. Beckering Vinckers en J. Nanninga Uiterdijk, in 1875-77 over de werkelijke auteur, Cornelis over de Linden (1811-1874) van tafel veegt.
Terwijl juist zij, na onder meer bestudering van de opsomming van boeken uit de bibliotheek van  Over der Linden, konden aantonen dat heel veel van wat in het Oera Linda-boek staat zijn oorsprong in juist die boeken vindt.

Jensma zet daarbij J. Beckering Vinckers weg als ‘een gymnasiumleraar uit Kampen’ – terwijl deze zijn wetenschappelijke carrière eindigde als hoogleraar in de Engelse taal- en letterkunde. Jensma presenteert Over de Linden als onderontwikkeld timmermannetje, ofschoon deze in werkelijkheid een self-educated zeer ontwikkeld man was, die het tot meesterknecht schopte  bij de Rijkswerf te Den Helder, wat inhield dat hij leiding gaf aan tweehonderd ondergeschikten. Hij maakte zeer gespecialiseerde schaalmodellen die dienden voor de bouw of reparatie van schepen.
Over waarom Over de Linden het Oera Linda-boek-schreef kunnen we slechts gissen: volgens Beckering Vinckers was zijn hoofdmotief het bewijzen dat de Over de Lindens eigenlijk een zeer adellijk geslacht zijn. Of hij dit uit ernst of luim deed, zal altijd de vraag blijven.
Volgens hem werkte Cornelis over de Linden aan de tekst van ca. 1850-1867 – een tekst die dus gedurende de productiejaren aan verandering onderhevig was. De versie die uiteindelijk openbaar gemaakt is, werd op papier geschreven dat ca. 1852 te Maastricht vervaardigd was – volgens contemporaine papierspecialisten. Vreemd genoeg is nooit onderzoek gedaan naar de gebruikte inktsoort. Maar dit terzijde.

(Zie verder: J. Beckering Vinckers. De onechtheid van het Oera Linda-Bôk, aangetoond uit de wartaal, waarin het is geschreven. Erven F. Bohn, Haarlem, 1876; online in DBNL: https://www.dbnl.org/tekst/vinc015onec01_01/
J. J. Beckering Vinckers. Wie heeft het Oera-Linda-Boek geschreven? Laurens van Hulst, Kampen, 1877. Integraal op Google Books)

De vraag ging over het gedicht WIN FRISA SWERDA SPREKA. Bij het werken aan de bundel Moordballaden was ik op zoek naar de vroegste moordballade uit de Nederlandse geschiedenis. Het eerste gedocumenteerde levensdelict in onze contreien is de moord op de godsdienstwaanzinnige Bonifatius, ergens bij Dokkum, in A.D. 754. Nu woon ik niet ver van Dokkum, dus toog ik met vélocipède, wichelroede en pendel naar dat gebied, waar ik een verre nazaat van Saxnot Fosite aantrof. Deze reciteerde een voor mij onverstaanbare tekst, waarop ik de nazaat meenam naar de Friese dichter Cornelis van der Wal, die de eerste transcriptie maakte en meewerkte aan de vertaling. Zodoende.

     Andere berichten

Interview Wopke van der Lei

'Zelf voel ik me meer op mijn gemak als liefhebber dan als recensent en meer als leraar dan als wetenschapper.' door Alja Spaan - Wopke...

Interview Yanaika Zomer

'Je poëzie is je identiteit.' - door Monique Wilmer-Leegwater   Yanaika Zomer is freelance journalist, schrijver en dichter. Als...

Interview Ko van Geemert

'Poëzie en muziek bieden me troost' door Alja Spaan   Jacob Herman (Ko) van Geemert (17 juli 1950) groeide op in de Amsterdamse...