LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Bij een huis in Bergen

29 okt, 2023
door Jan van der Vegt

 

In Bergen staat een huis. En net als in het kinderliedje over het huis dat in Holland staat, woonde in dat huis een heer. Maar daarmee houdt de gelijkenis op, want die heer die zocht geen vrouw om dat huis met kinderen te vullen. Niet omdat hij niet op vrouwen gesteld was. Integendeel! En hij had evenmin iets tegen kinderen. Hij had alleen iets anders te doen. Het was de Prins der Dichters.
Het huis staat aan de rand van het dorp, met uitzicht op landerijen en de duinen. Het is nummer 7 aan de Nesdijk en heeft een naam: A. Roland Holst Huis. De dichter naar wie het genoemd is, woonde er van 1921 tot 1965. Nu is het een schrijvershuis.
Wat noem je een schrijvershuis? Het kan een huis zijn waarin een schrijver gewoond, gewerkt, geleefd heeft en dat na zijn dood een monument wordt. In zijn column in Meander 10 oktober vertelde Marc Bruynseraede over het huis van Neruda dat in Chili zijn nagedachtenis eert. In Nederland is zoiets zeldzaam. We hebben in Amsterdam het Multatulihuis (geboortehuis) en het Harry Mulisch Huis (werkvertrekken) en er zijn nog wel wat voorbeelden. Er staan geen rijen voor de ingang, want we zijn een nuchter volk en doodsbenauwd om dichters die boven de middelmaat uitsteken hoog te achten.

Het Roland Holst Huis is een ander soort schrijvershuis. Het is sinds 2001 een huis waar schrijvers of vertalers voor een schappelijke huurprijs zich een maand kunnen terugtrekken om zich op hun werk te concentreren. Het is eigendom van het A. Roland Holst Fonds, een stichting waar de dichter in 1958 zelf het initiatief toe nam en waaraan hij bijna al zijn materiële bezittingen naliet. Zo deed hij iets terug voor wat zijn rijke vader (een verzekeringsbankier) voor hem had gedaan: toen in 1910 zijn studie in Oxford geheel mislukt bleek, gunde Holst senior zijn zoon Jany een jaargeld om voortaan als dichter door het leven te kunnen gaan. En in 1921 liet hij in Bergen aan de Nesdijk dat huis voor hem bouwen. Een eenpersoonswoning, al was er voor logerende vrienden of vriendinnen altijd wel plaats. Het huis was populair onder die vrienden: Bloem, Marsman, Slauerhoff, ze hebben er herhaaldelijk gelogeerd. Toen al een schrijvershuis in aanleg.

Roland Holst was aan dit huis zeer gehecht. Hij werkte bij vlagen en wilde zich dan dagen, weken of maanden kunnen isoleren. Daardoor kon hij er het boek De afspraak (1925) schrijven, dat een geloofsbelijdenis van zijn dichterschap is. Als hij niet werkte, was hij op reis en mochten vrienden er wonen en op passen. Toen hij tijdens de oorlog het huis moest overlaten aan Duitse militairen, voelde hij zich – elders in het land ondergedoken – in ballingschap. De band met het huis werd na de oorlog hersteld en ze werd inniger dan tevoren. Hoe graag hij zijn werk ook relativerend ‘versjes’ noemde, Holst was absoluut dichter. Hij wàs zijn dichterschap en het huis was de beschermende huls daaromheen. Hij noemde het zijn ‘tweede huid’. Zo’n  band was te innig om onschadelijk te zijn en leidde tot een diepe geestelijke crisis, die hem in 1965 dwong het huis op te geven. Hij betrok in 1967 een flat in het servicecomplex Frankenstate want hij was te verknocht aan Bergen om ergens anders te gaan wonen. Zijn huis stond hij af aan een dierbare vriendin, die er tot haar dood mocht blijven wonen. Zij stierf in 2001 en het huis werd daarna aangepast aan de bestemming waartoe al jaren eerder was besloten: het werd een schrijvershuis. Een indrukwekkende lijst van literatoren vult inmiddels het gastenboek.

Eén keer per jaar is er een open dag, steeds op de laatste zondag van oktober. Wie wil mag rondkijken en luisteren naar enkele schrijvers die er in het afgelopen jaar gewoond hebben en vertellen over wat ze er creëerden. Omdat ik zijn biografie heb geschreven, vertel ik dan iets over de band van Holst met dit huis.
Meer dan eens zijn bezoekers teleurgesteld omdat er zo weinig is dat nog aan Roland Holst herinnert. In zijn werkkamertje hangen enkele foto’s en er staan wat boeken van en over hem. Die in de woonkamer zijn van de vriendin die er ruim 35 jaar woonde, of producten van de gastschrijvers die er verbleven. De boekerij van Holst is naar het Literatuurmuseum gegaan. Een paar meubelstukken van de dichter, ontworpen door zijn oom Richard Roland Holst, staan nog in de hal van de woontoren van Frankenstate waar hij in 1976 stierf, 88 jaar oud.
Hoe zou je ook, nog afgezien van praktische problemen als beheer en financiering, van zo’n huis een museum kunnen maken? De band tussen de dichter en zijn ‘tweede huid’ laat zich niet zichtbaar maken en exposeren. Wie die band wil ervaren en begrijpen, moet zijn werk lezen. Maar dan moet dat werk wel beschikbaar zijn. ‘Sir, Shakespeare is out of print!’ stond ooit als noodkreet op de voorpagina van The Times. Zoiets zou bij ons ondenkbaar zijn. We willen liefst allemaal zelf gedichten schrijven, maar niet aan het hoofd gezeurd worden over dode dichters.
Gelukkig staat het huis nog aan de Nesdijk om althans de naam A. Roland Holst in de herinnering te houden. Hij was een goede gastheer, zijn schim is het ook.

 

Zie voor een beknopte versie van het levensverhaal van Roland Holst: Jan van der Vegt, Een dichter aan zee. Een geschreven portret van A. Roland Holst en een bloemlezing uit zijn gedichten. Uitg. Prominent, Baarn.

foto © De Standaard

     Andere berichten

Twee leraren

door Jan Loogman   Op de middelbare school had ik in de eerste jaren moeite met Duits. De proefwerken bestonden uit lange rijtjes...

Dichten & Drinken

door Ko van Geemert   foto © Pixabay   ‘De hedendaagse literatuur is in alcohol gedrenkt.’ Zo luidt de openingszin van het boek...

Een dag om te plukken

door Jan van der Vegt   Toen ik in januari de nieuwjaarswensen opruimde, realiseerde ik me dat 2024 een schrikkeljaar was: dan moet...