LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Interview Bianca Boer

12 okt, 2023

ik geef mijn lezers wat ik zelf zou willen hebben: houvast’

door Jeanine Hoedemakers

Bianca Boer is schrijver, dichter en kunstenaar. Ze schreef de verhalenbundel Troost en de geur van koffie (2007, L.J. Veen), de dichtbundels Vliegen en andere vogels (2010, L.J. Veen) en Vaste grond (2022, Atlas Contact) en de roman Draaidagen (2019, Atlas Contact).
Vaste grond werd genomineerd voor de Mr. J.C. Bloem poëzieprijs 2023. Hij verschijnt binnenkort in het Duits. Boer werkt aan een nieuwe roman, daarnaast maakt ze kleine kunstwerkjes die ze op Instagram post.
De gedichten bij dit interview komen uit de bundel Vaste grond.

foto ©  Fjodor Buis

 

Je won in 2004 de Nieuw Proza prijs met een kort verhaal en dankzij deze prijs had je meteen ook een uitgever.
Dat klopt. Het krijgen van de Nieuw Proza prijs hielp erg. Ik had daardoor eerder een uitgever dan een boek dat uitgegeven kon worden. Een luxepositie.

In principe ben je grafisch ontwerpster?
Ik ben opgeleid als grafisch ontwerper aan de kunstacademie in Groningen. Ontwerpen heb ik maar heel kort gedaan. Het was niets voor mij. Ik hou van dingen maken, affiches, folders. Dat deel paste heel goed maar ik ben niet snel genoeg en ik heb een hekel aan te krappe deadlines. Als grafisch ontwerper krijg je altijd een opdracht die gister af had moeten zijn.
De afgelopen twintig jaar ben ik schrijver en dichter, ik schreef tot nu toe een verhalenbundel, twee dichtbundels en een roman.
Pas het laatste jaar noem ik mezelf ook kunstenaar. Ik heb mijn kunst, mijn liefde voor tekenen en kliederen met waterverf teruggevonden. Toen ik er na de kunstacademie meer en meer achter kwam hoe ik de wereld met woorden kan vangen, viel de noodzaak om te tekenen weg. Ik heb het jaren niet gedaan. De laatste paar jaar is er in mij een drang, een innerlijke jeuk om niet alleen te schrijven maar ook zelf beeld te maken en die twee te combineren.

Je schrijft proza en poëzie. Denk je waar het je poëzie betreft, voornamelijk in beelden?
Ik denk altijd in beelden, niet alleen in poëzie maar ook in proza. Door krachtige beelden in een gedicht tegenover elkaar te zetten, of naast elkaar, ontstaat in het hoofd van de lezer een bruggetje. Zo maakt de lezer zelf betekenis. Ik doe dat ook in mijn kunst, een getekend beeld tegenover geschreven beeld zetten.
Een gedicht of verhaal moet grond onder de voeten hebben, ik geef mijn lezers vaak een letterlijke plek om te staan. Met die letterlijke plek geef ik mijn lezers wat ik zelf zou willen hebben: houvast.

 

Het wordt tijd

het wordt tijd om de namen te leren
van de dingen om mij heen
van de planten en de vogels het gereedschap
en de spullen

wat ik niet benoemen kan jaagt me vrees aan
ik weet te weinig
van waar ik mee omga

het kan zich niet verstaanbaar maken
ik moet uitzoeken hoe de wereld in elkaar steekt
het is mijn plicht dat uit te leggen

ik moet beginnen bij de waterbeertjes
miljoenen jaren oud
onuitroeibaar
en aan elk van hun vijf segmenten een stel pootjes
zo schattig dat het pijn doet

dan de slijmprikken de oudste bomen
schildpadden en longvissen
in alles mijn tegendeel
bestand tegen extremen

 

Wat betekent taal voor je?
Taal is wat we hebben om met iemand anders te communiceren. Je kunt ook zonder woorden communiceren. In Vaste grond beschrijf ik het langzaam verliezen van mijn moeder aan Alzheimer. Mijn moeder is gestopt met praten, ze gebruikt alleen nog lichaamstaal en ook dat probeer ik te verstaan.
Taal is vaak onbeholpen en ontoereikend maar we zoeken nou eenmaal verbinding met anderen en dit is wat we hebben. Met een gedicht heb je voor mijn gevoel meer ruimte in taal, je kunt iets zeggen met een heel gedicht. Of zelfs met een hele bundel. Met mijn complete bundel heb ik geprobeerd mezelf te troosten. Net zoals ik in mijn roman Draaidagen het hele boek nodig heb om een complex verhaal te vertellen over de liefde van een kleindochter voor haar getraumatiseerde oma.

Je studeerde aan academie Minerva in Groningen, de Fachhochschule Berlin en kiest dan voor de Schrijversvakschool waar je in 2006 afstudeerde. Wat was voor jou de aanleiding of de reden om naar de schrijversvakschool te gaan?
Ik wilde twintig jaar geleden naar de Schrijversvakschool omdat ik wilde schrijven. Mijn loopbaan als ontwerper was net misgelopen; dit was het enige wat ik wilde: een boek schrijven. Op de schrijversvakschool leerde ik hoe dat moest. Destijds was ik heel opgelucht dat ik erachter kwam dat er een school bestond waar ‘mijn mensen’ op zaten. Mensen die allemaal een precisie zoeken in taal, die willen weten hoe een boek in elkaar zit, die dat zelf willen kunnen. Nu geef ik er zelf alweer een aantal jaren les.

Was het als aanvulling of een duidelijke switch?
Het was een switch. Ik wilde niet verder als ontwerper.

Je vertaalde ook. Waar komt je belangstelling voor het Duits vandaan?
Ik hou van de Duitse taal omdat ik die enigszins beheerste door mijn uitwisseling met de kunstacademie van Berlijn.
Ik deed een D-NL vertaalproject waarbij vier Duitse dichters het werk van vier Nederlandse dichters vertaalden en andersom vertaalden de Nederlandse dichters het werk van de Duitse dichters. Die vertalingen werden in Nederland en Duitsland uitgegeven. Vertalen is zo moeilijk, ongelooflijk. Als vertaler probeer je het werk van de auteur zo goed mogelijk in al zijn nuances om te zetten naar je eigen taal. Daarbij verlies je vaak dubbele betekenissen uit de oorspronkelijke taal en soms vind je andere terug.
Het mooie aan een vertaling is dat je werk van een niet-Nederlandse auteur voor Nederlandse lezers bereikbaar maakt.
Uit recent leesonderzoek blijkt dat Nederlanders tegenwoordig juist heel veel Engelse boeken lezen; dat begrijp ik niet. Als er een vertaling is, zou ik die lezen. Een goede vertaling geeft je de rijkdom van de oorspronkelijke taal, waarom zou je jezelf die ontzeggen?

Mijn bundel Vaste grond komt in de herfst uit in Duitsland en ik heb net de eerste versie van de vertaler opgestuurd gekregen. Deze bundel voelt voor mij als iets wat me heel na is en wat als bundel zelfstandig voortleeft. Dat mijn vertaler daar dan in het Duits de juiste woorden bij zoekt vind ik ontroerend, alsof hij even zonder dat ik het door had in mijn hoofd verbleef.

Als schrijfdocent ben je onder andere verbonden aan de Schrijversvakschool in Amsterdam en de Schrijfschool in Rotterdam.
Met je lessen beperk je je tot proza en schrijftraining. Waarom geef je geen les in poëzie?

Bij verhalen kan ik iemand vaak precies uitleggen waarom bijvoorbeeld het perspectief of het tijdsverloop werkt of niet. Ik doorzie wat een schrijver heeft bedoeld in een verhalende tekst. Ik kan studenten of cursisten heel goed vertellen wat ze in hun eigen tekst anders kunnen doen.
In mijn eigen poëzie zoek ik zelf nog veel meer. Ik weet er minder van af, kan minder goed stelling nemen.
Lang geleden schreef ik een stuk over mijn lievelingsboek 1984 van George Orwell en voor dat stuk heb ik Winston Smith plat geanalyseerd. De tover was uit mijn lievelingsboek. Het duurde lang voor die terug was.
Ik lees heel graag poëzie, daarover kan ik inmiddels goed uitwijden, maar daar hou ik het voor nu even bij. Op de schrijversvakschool geeft een aantal hele goede dichters les, gevorderde en beginnende dichters kunnen daar hun voordeel mee doen.

Ivan Sacharov besprak je debuutbundel Vliegen en andere vogels. Ik pik er de regel uit over de eigen omgang met taal die, zo stelt Sacharov, al te merken is aan de titel. Ook valt hem op dat je vaak kleuren gebruikt.
Over je laatste bundel Vaste grond schrijft Herbert Mouwen o.a. dat de lezer die op zoek gaat naar beeldtaal en stilistische hoogstandjes bedrogen uit zal komen.
Je debuutbundel en je laatste bundel zijn, uitgaande van de recensies, nogal verschillend van toon. Is dit toeval of drijf je tijdens het schrijven op een flow en hecht je niet aan een vaste stijl?
Interessant dat je juist deze twee elementen uit de eerdere recensies kiest. Als je de twee bundels naast elkaar legt zie je vooral de groei in mijn poëzie, denk ik. De recensie over Vliegen en andere vogels sluit af met de zinnen: ‘Deze poëzie maakt trouwens over het geheel genomen een speelse indruk.’
Die speelsheid zit, denk ik, ook in mijn laatste bundel Vaste grond. Meer dan in mijn eerste bundel zit het in het verbinden van beelden.
Met deze bundel was ik niet geïnteresseerd in een taalspel, mijn moeder verdwijnt, dat moest verteld worden in hele gewone zinnen, begrijpelijke taal. Ik was mezelf aan het uitleggen hoe nu verder te leven. Daarom heb ik eerder een spel met beelden gespeeld dan met taal.

 

Onvermijdelijk

ik ijsbeer vanbinnen
loop rondjes met de staart in de bek

(wanneer stopt dat)
(ben ik daar niet te oud voor)
(maar wanneer dan wel)

er is zoiets als een fysiek geheugen
waarbij je beweging koppelt aan je stem
zo onthoud je dingen beter

ik vraag me af of ik
bij die rondjes
te vaak aan jou heb gedacht

wist je dat er angst onder angst kan zitten
(hoe hoog kan ik bouwen voor alles omvalt)

de taal die jij spreekt is die van mijn jeugd
woorden die klein zijn gebleven
die niet uit huis zijn gegaan

hoe jij mijn naam zegt
hoe binnen in mij iets zoemt
begint te spinnen

hoe jij mijn naam
aan mijn dochter geeft
en wie ik dan nog ben

wie ik dan nog ben

 

Je werkt ook met tekst en beeld. Hoe zou je de meerwaarde hiervan omschrijven?
Toen ik eenmaal beter begon te schrijven dacht ik dat ik alles kon zeggen met woorden, ik had geen letterlijk beeld meer nodig, vond ik, maar een paar jaar terug herontdekte ik tekenen. Ik ging etsen, houtsneden maken en aquarelleren en ik borduur daar soms weer overheen. Ik merk dat ik het leuk vond om niet alleen geschreven beelden naast elkaar te zetten maar juist ook een tekening samen met een zin, of een tekst.
Zo ontstaat voor mij nieuw geluk.

Ga je graag het podium op of zoek je vooral andere, of meer, manieren om je werk te presenteren.
Ik sta graag op een podium. Er is iets magisch aan een publiek dat luistert en me direct teruggeeft wat een gedicht of verhaal met ze doet. Dat directe contact vind ik ook heel fijn aan de reacties van mensen op mijn kleine kunstwerkjes.
Het maken van boeken en kunst, ik vind het heerlijk.

 

We hebben het geprobeerd

we kwamen niet meer boven de regen uit
spreken was onmogelijk geworden

we negeerden de vragende ogen van ons kind
wat hadden we moeten zeggen
mensen maken al meer dan een eeuw plastic
en jij houdt ook niet van opruimen

de stad maant ons bovendien tot kalmte
wij leven gemoedelijk door
met een gerust hart kunnen hier de singels overstromen
de aarde is een korst met een ondergrondse waterberging

mensen doen ook goede dingen
wij kappen niet onnodig
we verhuizen bomen naar het bomendepot
een vergeten veld waar plek genoeg is
geen eik die de stad in de weg zal staan

er is aan alles gedacht
we kunnen hier nog zeker een halve eeuw blijven
in afgelegen grotten bewaart men de zaden
van alle planten op aarde
voor als het echt nodig is

onderzoek wijst uit
dat kinderen hun ouders minder vergeven
dan andersom

 

 

 

     Andere berichten

Interview Pieter Sierdsma

  ‘De vraag of poëzie elitair is of wordt zou ik bevestigend willen beantwoorden.’ door Alja Spaan   foto © Arther van de Rose...

Interview Hero Hokwerda

Michalis Piëris: Zonder angst de wereld verkennen door Sander de Vaan   Onlangs verscheen bij Ta Grammata De dichter en de stad, van...

Interview met Daan Doesborgh

‘Als de klik er is, is er ook de kick.’ door Gerard Scharn   Daan Doesborgh (1988), schrijver en presentator, woont in Amsterdam. Hij...