LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Johanna Pas – De onverwachteling*

6 okt, 2023

Ze kwam, ze zag en ze streed door

door Jeroen van Wijk




Johanna Pas (1969 – 2023) was literair vertaler, dichter en eigenaar van de Antwerpse LGBTQIA+-boekhandel Kartonnen Dozen. Eerder bracht Pas de poëtische novelles Alleen met jou (2008), Soms gaan bomen staande dood (2010), De rug van een hand (2016) en de bundel Was, of hoe ik mijn huid verloor (2023) uit. In juni 2023, ongeveer twee weken na de publicatie van haar laatste bundel De onverwachteling* overleed zij aan de gevolgen van kanker. In haar teksten heeft zij het activisme nooit geschuwd.

De titel van de bundel De onverwachteling* bevat een asterisk waarvan de betekenis twee bladzijdes later komt:
* Onverwachteling (M/V/X)
1. kind dat niet gepland was
2. bezoeker die niet uitgenodigd was

Vanuit deze twee betekenissen kunnen verschillende interpretaties ontstaan. Gaat de bundel over het ouderschap? Over het perspectief van een onbedoeld kind? Of gaat het over (het perspectief van) een vreemdeling? De titels van de hoofdstukken, ‘Aankomst’, ‘Verblijf’ en ‘Vertrek’ suggereren een doorlopend verhaal van een iets, iemand of gevoel dat ergens arriveert en na onbepaalde tijd weer vertrekt. Tevens zijn alle gedichten titelloos waardoor de lezer sneller de gedichten als geheel gaat zien.

Het eerste gedicht legt gelijk de toon van het eerste hoofdstuk. De ik-figuur bevindt zich in een moderne wereld waar iedereen op hun telefoonscherm is gefixeerd en in zulke eenzaamheid verkeren dat ze zichzelf verslinden: ‘(…) Ze maken altijd maar geluid / omdat ze bang zijn anders te verdwijnen.’ Aan het einde van het gedicht vraagt de ik-figuur zich af waarom deze hierheen is gegaan. Wie of hoe oud de ‘ik’ precies is wordt nog niet duidelijk. Misschien gaat het om een buitenaards wezen of een baby die een ongekend scherp bewustzijn heeft verworven. Aannemelijker gaat het over een persoon die al verder in het leven is en zich afvraagt waar die nou precies mee bezig is. Wellicht gaat het over iemand die zichzelf als ‘buitenaards’ voelt ten opzichte van de mensen om zich heen.

De gedichten in het eerste hoofdstuk schetsen een wereld van wantrouwen, hulpeloosheid en eenzaamheid. Je krijgt het idee dat de ik-figuur er altijd alleen voor staat en dat mensen hoogstens mompelend komen helpen nadat je het al meerdere keren om hulp gevraagd hebt. De vruchten voor het wantrouwen van de mens zijn voor de ‘ik’ al vroeg gezaaid:

Ik ben opnieuw het kind dat toen jij opdook uit
het water en een monster speelde – je klauwen
naar me uitsloeg – het kind dat schreeuwde

en dat nu nog denkt: nee, niet ook jij –

Al heb je me nadien getroost – alleen
je handen die tot klauwen werden weet ik nog

Dit gedicht raakte mij ten zeerste. De trauma en argwaan die een ‘grapje’ van iemand kan veroorzaken, zeker tegen kinderen, kan een diepe en verwoestende indruk achterlaten. Iets dat een sorry of troosten niet zomaar kan helen. Wanneer iemand wordt gestoken, maar direct daarna verbonden, dan zal de wond alsnog een litteken achterlaten.

Toch geeft de dichter niet toe aan een cynisch wereldbeeld en is deze zich bewust van de impact die zelfs kleine handelingen op de wereld kunnen hebben: ‘(…) mijn voeten zetten waar een ander leven / is dan dat van mij niet achteloos mijn hand / verplaatsen. Het water stroomt niet om // maar door me heen. Zelfs bergen blijven (…)’.

De wereld die het hoofdstuk ‘Aankomst’ heeft gecreëerd maakt nieuwsgierig naar de rest van de bundel. De gedichten zijn erg beeldend, bevatten een fijn ritme en lezen ondanks de vele zinsopbrekingen erg vloeiend. Er staan meerdere sterke stukken tekst die boekdelen spreken, zoals: ‘Zo zwart als op de foto is mijn schaduw niet / die houdt zich rustig in gezelschap die kent / de regels van wanneer het mag en wanneer / niet om al die duisternis aan anderen te tonen’ (…). En nog eentje: ‘Er was een tijd dat niemand voor me / zorgde. Ik wist het niet ik droeg de loden jas / met stenen in de zakken.’ Een enkel gedicht gebruikt een clichématig beeld van iemand die in een overvolle tram staat en zich ondanks de intimiteit van zoveel mensen bij elkaar toch alleen voelt, maar het past erg goed in het beeld dat Johanna Pas schetst en stoort niet.

Er is een kort gedicht onder de titel van het tweede hoofdstuk en dat gaat als volgt: Vanuit de zaal zie je / het zweet van dansers niet / het eelt onder hun voeten’. Het publiek, de kijker en de lezer zien niet precies wat zich op de dansvloer of tussen de regels afspeelt. Zij zien enkel het spektakel, de act, het eindwerk dat aan de ander wordt gepresenteerd. Een werk dat ongetwijfeld voorafgaand een lange periode aan oefeningen of redactionele controle is ondergaan. Dit tweede hoofdstuk laat symbolisch genoeg juist deze ontberingen, of in ieder geval de persoonlijke fragmenten, hiervan zien.

In het eerste gedicht van dit hoofdstuk ondergaat de ik-figuur een soort ‘Matrix red pill effect’. Oftewel, het moment waarop je iets leert, ziet of begrijpt waardoor je al je eerdere aannames en wereldbeelden onherroepelijk moet veranderen. Een verandering die vaak gepaard gaat met ontkenning en angst, zoals in het gedicht ‘Toen de wereld twee dimensies had’ waar de ik-figuur leert dat de wereld niet twee, maar drie dimensie heeft: ‘(…) Toen de wereld drie dimensies kreeg en ik / de beelden die ik zag niet langer kon / verknippen toen kropen angst en / woede vreugde en verdriet onder de deur // en door het raam naar binnen’.

Wat deze derde dimensies precies inhoudt wordt niet duidelijk, maar met het oog op de titel en uitleg (onverwachteling* m/v/x) zou dit naar de binariteit van gender kunnen verwijzen. De tweedimensionale wereld deelt de wereld in man en vrouw op, terwijl in de driedimensionale wereld het onzijdige gender een compleet nieuw spectrum creëert. Wat deze onthulling ook is, de ik-figuur wil doorgaan en de ‘(…) voeten uit de modder trekken / Ik wil het zuigende moeras hier achterlaten (…)’. Zo is de ‘ik’ op zoek naar nieuwe betekenissen en indrukken. Een van deze indrukken uit zich in een liefdesverhaal waar de ‘ik’ haar angsten uit het eerste hoofdstuk geuit worden in gedichten over liefde:

Ik lachte maar mijn buik deed pijn

Ze leidde me met zachte hand
een kamer in en legde plastic zakken
op de lakens. De olie geurde als haar huid

de woorden kabbelden langs mijn bevroren botten
haar handen streelden dit karkas
brachten het vlees tot leven

Maar niet mijn geest
mijn geest was bang

Ik dacht zij kent de bomen. Ik dacht zij heeft
de handen van de maan, haar woorden zijn
het zachte licht van sterren op de velden. Zij
zal me niet verraden

(…)

toen brak zij met haar vrouwenhand in mij
de laatste tak en werd ik als de populieren
die in de winter als een traliehek het speelveld
van mijn jeugd omringden en stijf als stokken

in het noodweer staan

Er wordt hier treffend beschreven hoe prille liefde kan leiden tot het ontwaken van het lichamelijke dat in vergetelheid of onbekendheid was geraakt en hoe de geest op basis van vroeger tegenstribbelt uit angst voor wat er fout kan gaan. Nog mooier is de ambiguïteit aan het einde van het gedicht. De vrouwenhand die de ik- figuur breekt kan zowel seksueel als metaforisch voor emotionele heling gezien worden. De ‘ik’ staat na deze ervaring/ontlading opeens als een rij kale bomen die een traliehek vormen in een herinnering van vroeger. Bomen die wachten om gebroken te worden door het noodweer, waardoor wat er vast zat eindelijk vrij kan zijn.

Deze dubbele betekenis is overal in de bundel terug te vinden, maar komt het meest tot zijn recht in het tweede hoofdstuk. Het is indrukwekkend geschreven hoe de liefde van de ik-figuur zich verder blijft ontwikkelen, maar nooit een punt van voorspelbaarheid bereikt. Zo lijken de gedichten zich af te wisselen als fragmenten van herinneringen en voelen ze warm en heilzaam aan, maar zijn er bepaalde woordkeuzes die een tegenstrijdige betekenis met zich meedragen, zoals: ‘Je kroop daarstraks door een deur in mijn buik / je stampte wat rond en rekte je uit. Stak je armen / in mijn armen – als in een trui (…)’. Het is alsof de argwaan en angsten die in het hoofd van de ‘ik’ ronddwalen soms scheuren in de tekst maken en je met hun kleine oogjes aankijken. Net als de ik-figuur ben je nooit helemaal zeker hoe je al deze emoties moet plaatsen. Wat er met deze liefde ook gebeurt, de ik-figuur heeft geleerd dat deze meer wil ontdekken van het leven: ‘Ik wil nog graag in zo / veel bedden slapen / waarin de ongecensureerde / adem van een ander / mij gezelschap houdt’.

Het laatste hoofdstuk ‘Vertrek’ is ontroerend. De gedichten schetsen het beeld van een persoon die zich teruggetrokken, alleen, en soms in verwarring, afgezonderd heeft.

Als de gedachten van andere mensen
bij me binnenstromen – als veel te veel
brieven op een ondraaglijke ochtend
na een slapeloze nacht

laat ik hun gedachten
ongeopend liggen
op de koude tegels in de gang

De afzondering lijkt een bewuste keuze van de ik-figuur te zijn en heeft waarschijnlijk te maken met het naderende einde dat je kruipend voelt aankomen. Het hoofdstuk heet niet voor niets ‘Vertrek’. Hoewel het merendeel van de gedichten zwaar op de ziel wegen is er een sprankje licht te vinden in een van de laatste gedichten.

Als ik dood ben zal ik buiten zijn
niet binnen in dit lege huis
Ik zal de nerven van het boomblad zijn
dat tot de lente wacht om af te vallen

Ik zal de trillers van de merel zijn
die op de dakrand zingt
Ik zal de ogen van de meerkoet zijn
die in het zwarte water eten zoekt

Ik zal de kraaien op het veldje zijn
die trots elkaar begluren –

Ik zal weer meervoud zijn

Het is verdrietig dat Johanna Pas het leven te vroeg verlaten heeft. De gedichten en verhalen die zij in deze bundel geschreven heeft verdienen de hoogste lof. We kunnen enkel hopen dat zij, net als wij na onze dood, overal en tegelijkertijd nergens meer zullen zijn. In het allerlaatste gedicht van de bundel kan dat ‘niets’ iets zijn zoals wanneer je voor het eerst de zee ziet. Als iets nieuws en wonderbaarlijks.

Extra
Na de laatste gedichten vinden we twee citaten van David Bowie over zijn artiestenpersonage Ziggy Stardust waarvan de inhoudt resoneert met de bundel:

“Ziggy is partially autobiographical and partly someone else. He’s the ultimate parasite…. Please don’t ask me to theorise on Ziggy. He’s a monster and I’m Dr Frankenstein. He’s my brother and I love him”. (1976)

“The whole idea of the Ziggy character was that it was not of this world – neither male nor female, but rather a messenger, however, I don’t think I should have taken the whole thing quite so seriously.” (1983)

De interpretatie van deze stukken laat ik aan jou, de geduldige lezer, over. Gezien Johanna Pas niet meer onder ons is wil ik graag nog een aantal woorden die zij eerder in interviews gesproken heeft laten resoneren. Woorden die nog meer betekenis aan de bundel geven en aan het debat omtrent gender, dat ook nu nog steeds actueel en noodzakelijk is, bijdraagt.

Een eerbetoon aan en over Johanna Pas  en Johanna Pas over Gender
____

Johanna Pas (2023). De onverwachteling*. PoezieCentrum, 56 blz. € 21,00. ISBN 9789056553319

     Andere berichten

Daan Doesborgh – Moet het zo

Zo moet het door Ivan Sacharov - - Wat verwacht men eigenlijk van een recensent? Daar zijn allerlei opvattingen over. Maar ik denk dat het...

Jan van de Ven – Welbeschouwd

Jan van de Ven – Welbeschouwd

Schouwen vanuit de aardse omgeving door Hans Franse - - Jan van de Ven moet een bescheiden man zijn die zijn verbondenheid met het land...