LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

‘de moeheid in een bootje roeit langs geweldige steden die drijven ieder een eiland langs de kust van het gefantazeerde intellect’.

25 feb, 2024
door Pieter Sierdsma

 

Hans Lodeizen (Naarden 1924-Lausanne 1950) was en is misschien nog een evergreen in de Nederlandse poëzie, een van de weinigen. Dichter Peter Berger schreef: ‘De gedichten van Hans Lodeizen, met hun sfeer van jong-zijn en kleurige feestelijkheden, lijken in hun luchtige elegantie een beetje boven de wereld te zweven. Ze zijn licht en onaards, maar toch zeer autobiografisch’. In het besef kort te leven vond Lodeizen zijn vorm in een tastbare taal door een vrije associatie van woorden, zoals bij de Franse dichter Paul Eluard. Gedragen door een lichte melancholie beschreef hij met verrassende beeldinvallen zijn wereld, mooi maar vermoeid en bijna niet de echte. Deze voorzichtigheid en weemoed kan heel herkenbaar zijn voor een jong levensgevoel. Zijn enige bij zijn leven verschenen bundel Het innerlijk behang werd, waarschijnlijk vooral voor jonge lezers, tot 1990 vijftien keer herdrukt.

Als zoon van de directeur van de handels- en scheepvaartmaatschappij Wm H Muller & Co, met twee zusters en een broer, ontbrak het hem aan niets. Maar zijn astma hield hem terug van de spelletjes op straat en maakte hem eenzaam. Vaak trok hij zich terug in de grote bibliotheek van zijn vader en las gretig in de daar aanwezige klassieken. Op een mooie dag ging hij de mieren in de tuin bestuderen, een miniwereld waarin hij steeds meer thuis raakte. In zijn puberteitsjaren groeide hij over zijn astma heen maar werd opnieuw in de eenzaamheid teruggeworpen toen hij merkte dat hij op jongens viel. Tijdens de oorlog was een universitaire studie niet mogelijk. Voor de Arbeitseinsatz dook hij onder in het grote huis van zijn ouders te Wassenaar of in de villa van een relatie. Hij schreef sonnetten in de romantische en idealistische trant van P.C. Boutens, die de eenzaamheid van zijn homoseksualiteit zocht te overwinnen in een hogere bestemming. Tussen het maakwerk klinkt dan de echte dichter al door in Namiddag-Liedje:  ‘…De wolken zijn zo strak gestreken, Dat ze in zilver zouden breken  Bij windezucht. Dan zou het goud der zonnestralen, De witte wolken achterhalen En heen doen gaan’. Na de oorlog begon hij de studie rechten met de bedoeling als diplomaat het verarmde en uitzichtloze Nederland te verlaten. Maar de juridische stof was hem vreemd. Hij kon met zijn gymnasium alfa alleen op voorspraak van een hem bekende entomoloog biologie gaan studeren aan het gerenommeerde en oude Amherst College in Massachusetts.

Op dit college ontmoette hij in een literaire kring andere homoseksuele jongemannen. Hans raakte bekend met de Amerikaanse Argentijn Seldon James, die in hem een interessante vriend zag maar verder niet. Toch bleef deze zijn idool. Hij zou zijn bundel aan hem opdragen. De studie biologie kon hem niet boeien. Al die exacte kennis vertelde hem niets over de chemie van het leven. Hij was tenslotte schrijver. In zijn vrije tijd oefende hij zijn pen op verschillende soorten proza, meestal in een fantastische trant. Maar hij merkte dat dit niet zijn métier was. In het voorjaar van 1948 trok hij door het zuiden van Amerika. Hij had meerdere seksuele ervaringen. Hij wilde ‘het beest achter het masker’ vandaan halen. Hij richtte zich nu op poëzie en vond zijn vorm in een losse associatie van woorden in een muzische vorm.

 

wij zijn zonder wijsheid
in deze nacht gevallen
die donkerder, wijzer is
dan de nacht van ons plezier

levend in het water van
deze sluier ben ik een maan
schreiend aan Japan’s hemel
een waaier dronken van wind

en de uren gaan pratend
tegen elkaar over het water
een drijvend theehuis waar
geliefden het fluitspel afluisteren

nee niet langer, nee niet
langer, ik wij moeten tesamen
uit vissen gaan ik heb de zeilen
mijn liefje, de zeilen geprobeerd.

Hans Lodeizen, Verzamelde gedichten, p. 132; geciteerd in Hilberdink

Hij zond een paar gedichten naar het tijdschrift Het Woord. Zijn poëzie werd nog niet begrepen. Gezakt voor zijn examens kon hij met zijn familie naar Nederland terugreizen.

Tegen zijn ouders kwam hij voor zijn geaardheid uit, die hielden het geheim maar veroordeelden hem niet, wat toen mild was. Hans kreeg een kantoorbaantje in een bedrijf van zijn vader. Misschien voorvoelde hij dat hem weinig tijd restte want in de laatste twee jaren van zijn leven schreef hij vijfhonderd gedichten. Hij koos 54 gedichten in een min of meer chronologische volgorde op grond van hun moderniteit, want hij wilde breken met het oude Nederlandse poëzielandschap. Met de gekozen titel Het innerlijk behang benadrukte hij het belang van het innerlijk tegenover de harde werkelijkheid. De boven deze column genoemde regels vormden het motto van de bundel. Door de hem bekende auteur Adriaan van Veen kwam hij terecht bij dichter en recensent Adriaan Morriën, die zeer goed bekend was met internationale literatuur. Deze beval hem aan bij uitgever van Oorschot. Begin 1950 werd bij Hans leukemie geconstateerd. De laatste twee maanden van zijn leven verbleef hij in een sanatorium te Lausanne, waar hij op 26 juli overleed op zesentwintigjarige leeftijd.

Kort voor zijn overlijden kon hij de bundel in ontvangst nemen. Daarna vond zijn werk snel ingang en erkenning, mede doordat de generatie van ’50 in hem een geestverwant en voorloper zag. Postuum werd aan Hans Lodeizen in 1951 de Jan Campertprijs toegekend. De gedichten van Hans Lodeizen zijn een poging de kostbare tijd vast te leggen. Toch voelt hij dat die hem ontglipt. Zijn poëzie schijnt van een bedrieglijke eenvoud. ‘De verzen lijken op onaffe schetsen maar zijn niettemin hecht doortimmerd…Droom en werkelijkheid gaan moeiteloos in elkaar over’ (Wikipedia). Deze kwaliteiten zijn ook te lezen in het etherisch uitwaaierende:

 

allemaal steden
de stad weifelt over de huizen
de morgen vaart over de daken
de stad binnen
de zon staat op tussen de huizen
onder carillonmuziek
de mensen wandelen in het donker
als het elf uur is

de zon spoelt aan op de daken

aan het strand van de verten
ligt de stille zee der lucht
waarin het schip van een kerktoren
flikkert

in de buik van de stad
drinken wij koffie

en de stad zeilt verder.

 

Bronnen:
Hans Lodeizen, Wikipedia
Hans Lodeizen, Het innerlijk behang en andere gedichten, G.A. van Oorschot, Amsterdam, 7e druk,1970
Koen Hilberdink, Hans Lodeizen, biografie, G.A. van Oorschot, Amsterdam, 2e druk, 2007

Zie ook
Klassieker 275, Langzaam
Klassieker 198, Wij zullen het leven…

 

     Andere berichten

Twee leraren

door Jan Loogman   Op de middelbare school had ik in de eerste jaren moeite met Duits. De proefwerken bestonden uit lange rijtjes...

Dichten & Drinken

door Ko van Geemert   foto © Pixabay   ‘De hedendaagse literatuur is in alcohol gedrenkt.’ Zo luidt de openingszin van het boek...

Een dag om te plukken

door Jan van der Vegt   Toen ik in januari de nieuwjaarswensen opruimde, realiseerde ik me dat 2024 een schrikkeljaar was: dan moet...