LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Marc Terreur – Ondersteboven

26 apr, 2024

Kabbelend water

door Hettie Marzak




De titel van deze debuutbundel, Ondersteboven, is op zijn kop afgedrukt en gaat vergezeld van een tekening van een schildpad die op zijn rug ligt. Met het woord ‘ondersteboven’ kun je alle kanten op, in positieve zowel als in negatieve zin. Je kunt ergens helemaal ondersteboven van zijn, van je sokken geblazen, omdat het zo goed is. Maar je kunt ook verward en ontredderd zijn, omdat je normale wereld op zijn kop gezet is. Marc Terreur schrijft gedichten die beide betekenissen in zich dragen. Hij is muzikant en tekstschrijver, schreef een boek over hoe gitaar te spelen, kinderboeken, een filmscenario, is bezig met een roman en gaf zijn eigen poëzie uit. Gedichten uit deze bundel werden eerder los gepubliceerd of voorgedragen door de dichter. Wie hem wil horen voordragen, kan bij sommige van de gedichten de QR-code gebruiken die erbij staat afgedrukt.

Er is geen inhoudsopgave opgenomen, wat het opzoeken van de gedichten lastig maakt, maar met hooguit twintig gedichten ook geen heksentoer is. De bundel is verdeeld in zes afdelingen, die soms uit slechts een of twee gedichten bestaan. De titels van de afdelingen zijn voor het merendeel in het Engels, waarschijnlijk ontleend aan de muziek, met een motto en een verantwoording indien de gedichten al elders zijn gepubliceerd, zoals in online poëzietijdschrift Het Gezeefde Gedicht.

De onderwerpen die Terreur aansnijdt, liggen enerzijds heel dicht bij huis: de geliefde, een huiselijke ruzie, zijn kleinkind. Anderzijds belicht hij het wereldleed, de politiek, de klimaatcrisis. Er is weinig samenhang in de gedichten te bespeuren, het is meer alsof de dichter alle gedichten die hij vinden kon en die nog ergens in een la lagen, heeft doen samenkomen in deze bundel: alle onderwerpen staan kriskras door elkaar. Terreur dicht in afwisselend lange en korte zinnen, maar de keuze daarvan lijkt vaak willekeurig, waardoor er niet echt sprake is van een metrum of een zinsritme. Niet alle gedichten zijn van dezelfde kwaliteit. Terreur is op zijn best in de korte gedichten, als hij zich moet beperken en wat hij te zeggen heeft, moet samenballen in enkele versregels, zoals in ‘Drijfzand’:

‘Wie niet buigt, wint’(*)

(*) Uit het wetboek van de sterkste, maar ik lees de tekst verkeerd.

Nog altijd niets geleerd.
Gênant.
Hoe ik keer op keer het drijfzand
kies, voor tak en touwen blind.

Schuin gedrukt staat er dan nog een soort van verklaring onder: ‘Richtlijn bij ruzie: koppigheid is niet de kortste weg naar vrede.’ Deze ‘richtlijn’ maakt dat je als lezer gedwongen wordt de interpretatie te aanvaarden die de dichter je voorhoudt en dat is jammer. Ook de zin met de asterisk had er niet bij hoeven te staan. Het gedicht zou weliswaar kort geweest zijn, maar veel sterker, want nu vraag je je af op welke manier de dichter dan de tekst verkeerd gelezen heeft. Wie niet wint, buigt?

Af en toe maakt de dichter gebruik van eindrijm, maar dat maakt dan weer een onbeholpen indruk, alsof het rijmwoord er aan de haren bijgesleept is. Een voorbeeld uit het gedicht ‘Verlos ons van het kwaad’, de tweede strofe:

waarom maar twee blinde vlekken?
hoeveel kan ik aan mijn blikken onttrekken
en dat mens-zijn toch bewaken
voor later misschien bewaren
mocht dat ooit weer
in de mode raken?

Een andere punt dat opvalt is dat de dichter geen keuze kan maken tussen ernst en humor. Onder een gedicht over huiselijk geweld en kindermishandeling, ‘Vlucht’ getiteld, heeft de dichter weer een richtlijn geschreven: ‘Duizend bommen en granaten. Als het thuis de hel is.’
Dat het thuis de hel is, valt te lezen in het gedicht zelf. Maar om daar de favoriete uitroep van kapitein Haddock uit het stripverhaal De avonturen van Kuifje te zetten, doet afbreuk aan de beschreven situatie. Wie weet is het relativerend bedoeld, maar het zwakt de ernst van het gedicht zo af, dat het niet meer geloofwaardig wordt.

Terreur kan heus wel een goed gedicht neerzetten:

Forfait

de winter trekt zijn wanten aan
recht zijn kraag
en trappelt in de hal op stoute schoenen
overklaar en ongedurig

hij blaast voor zijn beurt
door het sleutelgat van het ijspaleis
en buiten schrikt de eerste
vroege huivering

geduld

eerst nog de trappen op
en af en op en af –
lichtvoetig
als de rondjes in de ring
van een bokser die zich warm danst
maar in zijn geval dus koud
tot ijzingwekkend
terwijl zijn adem stilaan tocht
door onze stalreten en kieren

hij kijkt door het raam

het lichterlaaiende bos is geblust
asgrauwe herfstbladeren maken zich uit de voeten
en gaan geluidloos liggen snikken
in hun modderbed

ze weten wat er komt
het pleit is beslecht
nog even en het land
hult zich in Indische rouw

onder een lucht van dunne karnemelk

Hier staat weer als richtlijn onder: ‘Maar dat het goed komt.’ De aangehouden en uitgewerkte personificatie van de winter is voldoende om er een mooi gedicht van te maken, de richtlijn is overbodig. De lezer weet ook wel dat na de winter de lente weer komt. De Indische rouw duidt misschien op een van de begrafenisrituelen van het Hindoeisme: als de vader is overleden, maar het gebeurt veelal ook als de moeder is overleden, scheren de zonen (en vader indien moeder is overleden) het hoofdhaar (soms op een kort staartje na), snor en baard af. Ontdaan van hun haren zijn ze als de kale bomen in de winter.

Dit gedicht wordt gevolgd door het gedicht ‘Kleinkind’

ik hoor je woorden, kindje klein
versteld sta ik, verstomd
en ik zie je worden
nu al zie ik je zijn
je schopt

tegen een bal
en voelt je god-weet-wat
en hoe verschillend ís dat
eigenlijk van wat je later zal?
ik zie je worden
ik zie je

nu al zie ik je zijn
ik zie je huilen, kindje klein

weggeduwd
opzij gezet
spelen is geen pretje
versteld sta je, verstomd

maar snel vergeten en snel hersteld
en dat dit later anders zal
betrap ik mijn gedachten
en ik hoop van
hopelijk niet

ik zie je worden
ik zie je

nu al zie ik jouw zijn

Dit is oeverloze poëzie, gebabbel als kabbelend water, het stroomt niet, het bruist niet en het mondt nergens in uit. Een schildpad die op zijn rug ligt, kan zonder hulp niet overeind komen. Ook deze dichter heeft een zetje nodig om hem vooruit te helpen. Dat hij zich daarvan wel bewust is, komt misschien naar voren in het laatste gedicht:

Schildpad

holderdebolder
de heuvel af in een zeepkistenrace

in maliënkolder
als jan zonder vrees
land ik ondersteboven
wiebelend op mijn schild

en jij die me terug op mijn pootjes zet

____

Marc Terreur (2024). Ondersteboven. Uitgave in eigen beheer, 64 blz. €14,99. ISBN 9789464752519

     Andere berichten

Daan Doesborgh – Moet het zo

Zo moet het door Ivan Sacharov - - Wat verwacht men eigenlijk van een recensent? Daar zijn allerlei opvattingen over. Maar ik denk dat het...

Jan van de Ven – Welbeschouwd

Jan van de Ven – Welbeschouwd

Schouwen vanuit de aardse omgeving door Hans Franse - - Jan van de Ven moet een bescheiden man zijn die zijn verbondenheid met het land...